← Week 37

Rechtbank Gelderland · 5 augustus 2026

Claimstichting scheitert: bestuurdersaansprakelijkheid forex-vennootschappen afgewezen wegens onvoldoende gespecificeerde stellingen

  • Aansprakelijkheid afgewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW
  • Art. 6:162 BW

Samenvatting

Een claimstichting vorderde namens 573 beleggers van twee vennootschappen terugbetaling van geld dat was belegd in forex trading, en van de bestuurder persoonlijke schadevergoeding uit onrechtmatige daad. De vennootschappen verschenen niet en werden bij verstek grotendeels veroordeeld. De vordering tegen de bestuurder wordt afgewezen, omdat de stichting bij gebundelde individuele vorderingen op basis van procesvolmachten per belegger of groep had moeten specificeren hoe de overeenkomsten tot stand kwamen en welk ernstig verwijt de bestuurder treft.

Kernoverwegingen

“Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:2006:AZ0758 (Ontvanger/ Roelofsen)) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens schuldeisers van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

r.o. 4.12

“Het feit dat de claimanten ervoor hebben gekozen hun vorderingen niet in te stellen via een collectieve actie door een belangenorganisatie als bedoeld in artikel 3:305a BW maar door middel van aan Hebburn verleende procesvolmachten heeft consequenties voor de stelplicht en de wijze waarop Hebburn als formele procespartij deze vorderingen dient te onderbouwen. Bundeling van claims van vele individuen via een procesvolmacht is mogelijk, maar die gebundelde claims moeten in dat geval, anders dan in een procedure ex artikel 3:305a BW, worden beschouwd als een even groot aantal individuele vorderingen die in een reguliere civiele procedure worden afgewikkeld en in beginsel zaak voor zaak individueel bekeken en onderbouwd moeten worden. Een claimstichting als Hebburn heeft als zodanig ook geen bijzondere positie in het procesrecht. Dit betekent dat Hebburn in beginsel per claimant aan haar stelplicht dient te voldoen, zowel wat betreft de grondslag van de vorderingen als wat betreft de feitelijke onderbouwing daarvan.”

r.o. 4.17

“In deze omstandigheden, gelet op het verweer van [gedaagde] en gelet op het hiervoor reeds benadrukte gegeven dat het hier niet gaat om een collectieve verhaalsactie maar om 573 gebundelde individuele zaken, had het op de weg van Hebburn gelegen om per claimant (of indien gelet op de mate van overeenkomst tussen de gevallen mogelijk per voldoende duidelijk afgebakende groep van met name genoemde claimanten) op zijn minst te specificeren/individualiseren (a) wanneer en hoe de overeenkomst tot stand is gekomen, (b) met wie de overeenkomst is gesloten en waaruit dit blijkt en (c) wat de overeenkomst inhield en welke verplichtingen daaruit voortvloeien. Daarbij had zij ook per claimant/afgebakende groep claimanten dienen uiteen te zetten wat de relatie was tussen [gedaagde] en de betreffende claimant(en) voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst en wat zij van elkaar wisten, dit laatste mede in verband met de door [gedaagde] gestelde voorkennis van sommige claimanten omtrent de activiteiten van [gedaagde] . Vervolgens had Hebburn per claimant/afgebakende groep claimanten dienen te stellen en gelet op het verweer van [gedaagde] onderbouwen dat [gedaagde] ofwel handelend als (indirect) bestuurder van Airfeet en/of Xerof een voldoende ernstig verwijt valt te maken ofwel handelend in persoon (HR Spaanse Villa) een onrechtmatige daad heeft gepleegd.”

r.o. 4.20

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:6755
Instantie
Rechtbank Gelderland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
9 september 2026
Spoor
Boek 2 BW, Art. 6:162 BW
Wetsartikelen
6:162 BW, 2:9 BW, 3:305a BW, 6:228 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
afgewezen
Weekoverzicht
Week 37 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.