Rechtbank Gelderland · 16 september 2026
Beklamelnorm: interim-CFO-vennootschap niet aan te merken als feitelijk bestuurder
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Investeerders in een energievennootschap hadden een stil pandrecht bedongen, maar de pandakte werd niet geregistreerd, zodat het pandrecht niet ontstond. Zij stelden de vennootschap van de interim-CFO aansprakelijk, onder meer op grond van de Beklamelnorm als feitelijk bestuurder. De rechtbank oordeelt dat de interim-CFO geen dominante rol had en geen feitelijk bestuurder was, en niet namens de vennootschap de verplichtingen is aangegaan. De vorderingen worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“De rechtbank stelt voorop dat, wanneer een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die rechtspersoon, ook ruimte voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid van een bestuurder jegens derden op grond van de zogenoemde Beklamelnorm is vereist dat een bestuurder namens de vennootschap een verplichting aangaat terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de vennootschap deze verplichting niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden voor de als gevolg daarvan door de wederpartij te lijden schade (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR: 1989:AB9521). In zo’n geval kan in beginsel worden aangenomen dat de bestuurder een zodanig verwijt treft dat hij op grond van artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade.”
r.o. 4.10
“Vast staat dat Enerkazet geen statutair bestuurder van WES was. Enerkazet kan daarom slechts op grond van schending van de Beklamelnorm worden aangesproken indien zij feitelijk (mede) het beleid van WES bepaalde als ware zij bestuurder van WES. Van belang is dat [persoon 1] , die wél statutair bestuurder van WES was, ter zitting heeft verklaard dat hij de koers binnen WES bepaalde en de baas was bij WES. Dit past ook bij de – niet weersproken – opmerking van [persoon 3] ter zitting dat [persoon 1] bij de uitvoering sturend was. Verder is gebleken dat de inzet van Enerkazet als interim-CFO bij WES beperkt was nu [persoon 1] en [persoon 3] ter zitting hebben verklaard dat [persoon 3] een dag à een halve dag per week voor WES werkte. Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat Enerkazet zo’n dominante rol binnen WES speelde dat zij als feitelijk bestuurder was aan te merken. Daarbij heeft Zon Energie c.s. haar stelling dat Enerkazet diverse bestuurshandelingen verrichtte na betwisting door Enerkazet onvoldoende onderbouwd en is niet gebleken dat Enerkazet/ [persoon 3] overeenkomsten namens WES sloot en/of dat Enerkazet bevoegd was om WES te vertegenwoordigen. Het was ook niet Enerkazet ( [persoon 3] ), maar [persoon 1] die op 9 oktober 2025 de overeenkomst van geldlening en de pandakte namens WES ondertekende.”
r.o. 4.11
“Dat Enerkazet namens WES de financiering en het pandrecht is aangegaan terwijl zij wist of had moeten begrijpen dat WES haar verplichtingen daaruit niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden voor de schade die Zon Energie c.s. daardoor zou lijden, volgt de rechtbank evenmin. Enerkazet is de overeenkomst en het pandrecht niet voor WES aangegaan. Dat heeft [persoon 1] gedaan. Enerkazet heeft WES daarbij geadviseerd, maar dat betekent niet dat zij de verplichtingen namens WES is aangegaan. Daar komt nog bij dat Zon Energie c.s. niet heeft onderbouwd dat Enerkazet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van geldlening wist of behoorde te weten dat WES niet aan haar daaruit voortvloeiende verplichtingen zou kunnen voldoen. Zon Energie c.s. stelt dat Enerkazet betrokken is geweest bij het aanvragen van het faillissement. Zij heeft daarbij gewezen op het e-mailbericht van 8 april 2024. Daaruit blijkt dat [persoon 3] het (concept) besluit van aandeelhouder WFEB aan [persoon 1] heeft gestuurd om de aangifte tot faillietverklaring van WES te doen. Omdat [persoon 1] bestuurder van WFEB is blijkt hieruit dat het juist [persoon 1] was die heeft besloten tot aangifte tot faillietverklaring en niet Enerkazet ( [persoon 3] ). Bovendien dateert de overeenkomst van geldlening van 9 oktober 2023 en valt zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in te zien waarom toen al bekend was dat WES een half jaar later haar eigen faillissement zou moeten aanvragen.”
r.o. 4.12