Rechtbank Limburg · 6 mei 2026
Inzage ex artikel 194 Rv afgewezen; geen rechtsbetrekking uit gestelde onrechtmatige daad medebestuurder
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
- Zijdelings
Samenvatting
In een incident vordert een bestuurder en aandeelhouder inzage in documenten van zijn medebestuurder en medeaandeelhouder om een schadevordering uit onrechtmatige daad voor te bereiden, na een mislukte gezamenlijke koop van een winkelcentrum via een projectvennootschap. De rechtbank wijst de inzage af, omdat niet is gesteld dat de gestelde gedragingen jegens de eisende partij in persoon onrechtmatig waren en tot schade leidden. Het is in beginsel aan de vennootschap om haar eigen schade te vorderen.
Kernoverwegingen
“Als grondslag voor zijn vordering in reconventie, in verband waarmee [persoon B] inzage vordert, heeft [persoon B] aangevoerd dat [persoon A] onrechtmatig heeft gehandeld. Ook de rechtsbetrekking die uit onrechtmatige daad ontstaat, valt onder de werking van artikel 194 Rv. Voor een toewijzing van een vordering tot inzage is het niet noodzakelijk dat in rechte reeds is komen vast te staan dat er een onrechtmatige daad is gepleegd (zie Kamerstukken II, 2019-2020, 35 498, nr. 3 (MvT), p. 47). Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat ook niet de eis kan worden gesteld dat het bestaan van de rechtsbetrekking voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt (anders onder het oude recht, HR 10 juli 2020, ECI:NL:HR:2020:1251). Dat neemt niet weg dat degene die inzage vordert wel voldoende feiten moet stellen die de gevolgtrekking onderbouwen dat de door hem gestelde rechtsbetrekking bestaat. De enkele, niet met feiten onderbouwde stelling, dat er een bepaalde rechtsbetrekking is, is onvoldoende onderbouwd en biedt daarmee geen grondslag om een recht op inzage te verkrijgen.”
r.o. 3.9
“De enkele omstandigheid dat iemand een onrechtmatige daad pleegt, brengt op zichzelf geen rechtsbetrekking met een ander tot stand. Daarvan is in beginsel pas sprake indien op grond van die onrechtmatige daad uit hoofde van de wettelijke regeling van artikel 6:162 e.v. BW jegens een ander een verbintenis tot schadevergoeding ontstaat. Daartoe moet onder meer voldaan zijn aan de voorwaarden die in artikel 6:162 BW worden gesteld aan het ontstaan van een verplichting tot betaling van schadevergoeding. Voor het ontstaan van een recht op schadevergoeding van [persoon B] jegens [persoon A] betekent dit in ieder geval dat:
- [persoon A] onrechtmatig moet hebben gehandeld jegens [persoon B];
- hierdoor [persoon B] in zijn vermogen schade heeft geleden;
- die schade in causaal verband staat met de onrechtmatige gedraging van [persoon A] .”
r.o. 3.11
“[persoon B] verwijt het aan [persoon A] onder meer dat hij onrechtmatig heeft gehandeld bij de verkrijging van de financiering voor de aankoop van het winkelcentrum en bij het sluiten van de koopovereenkomst namens de vennootschap met de curator (de verwijten hiervoor in nummer 3.6. weergegeven onder b tot en met e). Indien van de juistheid van de stellingen van [persoon B] wordt uitgegaan, was het gevolg hiervan dat [persoon A] de vennootschap heeft gebonden jegens de curator (indien zijn onbevoegde vertegenwoordiging inderdaad heeft geleid tot gebondenheid van de vennootschap) voor het doen van aanbetalingen van 2 miljoen euro en de koopprijs van 19,3 miljoen euro, terwijl niet duidelijk was of de vennootschap tijdig over voldoende financiële middelen zou beschikken om die verplichtingen na te komen. Uit hetgeen [persoon B] aldus heeft gesteld volgt niet dat [persoon A] hiermee jegens [persoon B] een (zorgvuldigheids)norm heeft geschonden en dat [persoon B] hierdoor schade heeft geleden (zie onder meer HR 2 dec 1994, ECLI:1994:ZC1564, NJ 1995, 288, Poot / ABP). Het is in beginsel aan de vennootschap om vergoeding van door haar geleden schade te vorderen (ook omtrent schade van de vennootschap is overigens niets gesteld). Indien [persoon B] van oordeel is dat [persoon A] door zijn handelen niet alleen jegens de vennootschap, maar ook jegens [persoon B] in persoon een zorgvuldigheidsnorm heeft overtreden én dat [persoon B] door schending van die norm schade heeft geleden, […]”
r.o. 3.13