← Week 27

Rechtbank Limburg · 9 juni 2026

Schorsing bij ordemaatregel van opzegging verenigingslidmaatschap wegens overschreden beroepstermijn

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een lid van een golfvereniging vorderde in kort geding vernietiging van het bestuursbesluit waarmee zijn lidmaatschap was opgezegd, omdat de interne beroepsinstantie ruimschoots te laat beslist. De voorzieningenrechter wijst vernietiging af vanwege het declaratoire karakter, maar schorst het besluit bij wijze van ordemaatregel tot de beroepscommissie heeft beslist. Het lid mag niet de dupe worden van de vertraging en maakt geen misbruik van recht. Artikel 2:14 BW komt aan bod in de feiten en artikel 2:8 BW in het standpunt van het lid.

Kernoverwegingen

“De primair door [eiser] gevorderde vernietiging van het besluit van het bestuur van [gedaagde] van 21 november 2025 tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] kan vanwege haar declaratoire karakter in het kader van een kort geding niet worden toegewezen. De vernietiging van dat besluit is naar zijn aard niet voorlopig.

De overige vorderingen”

r.o. 4.2

“Als gevolg van het besluit van 21 november 2025 wordt [eiser] de toegang tot de golfclub onthouden terwijl de voorgeschreven termijn waarop beslist had moeten worden op het beroep dat mede daartegen ageert, al zeer geruime tijd is overschreden. Dat maakt dat [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft om zijn vorderingen in kort geding voor te brengen.”

r.o. 4.6

“Op grond van de hierboven aangehaalde regels in de statuten en het huishoudelijk reglement omtrent het beroep tegen een beslissing van het bestuur tot opzegging van het lidmaatschap (zie 2.2.), had binnen zes weken beslist moeten zijn op het door [eiser] ingestelde beroep. De voorzieningenrechter stelt vast dat de behandeling van het beroepschrift van [eiser] ten gevolge van verschillende omstandigheden inmiddels al zo’n zes maanden duurt en dat er geen voldoende concreet uitzicht op bestaat dat op korte termijn een beslissing wordt genomen door een – nog te benoemen – Commissie van Beroep. Uit hetgeen het bestuur daarover heeft aangegeven blijkt dat, indien in juni een Commissie van Beroep tot stand komt (wat niet zeker is), een beslissing op zijn vroegst in augustus kan worden verwacht. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat, zoals ook al eerder door de Commissie van Beroep is overwogen, [eiser] niet de dupe mag worden van deze langdurige vertraging in de termijn waarop op het door hem ingestelde beroep wordt beslist. De voorzieningenrechter is het daarom ook niet met [gedaagde] eens dat [eiser] misbruik van recht maakt door zich te beroepen op de binnen de vereniging geldende regels. Dat de Commissie van Beroep heeft gemeld af te treden als reactie op de sommatie namens [eiser] , maakt dat niet anders. Het aftreden van de Commissie van Beroep en de omvang van de vertraging in de afhandeling van het beroep die dat tot gevolg heeft gehad was een, naar het oordeel […]”

r.o. 4.7

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:5459
Instantie
Rechtbank Limburg
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
9 juni 2026
Datum publicatie
2 juli 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:14 BW, 2:8 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 27 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.