Rechtbank Limburg · 10 juni 2026
Curator versus (indirect) bestuurders: 2:248 en 2:9 BW afgewezen, selectieve betalingen na peildatum toegewezen
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een curator sprak de (indirect) bestuurders van een failliete startende vennootschap aan op grond van artikel 2:248 BW, artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW. De rechtbank wijst de vorderingen wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur en interne aansprakelijkheid af, omdat de curator onvoldoende concrete feiten stelt. Wel veroordeelt zij de bestuurders hoofdelijk (artikel 2:11 BW) tot betaling van ruim € 15.000 wegens selectieve betalingen aan gelieerde partijen na de peildatum, waarop het faillissement redelijkerwijs te verwachten was.
Kernoverwegingen
“De rechtbank stelt voorop dat het niet realiseren van voldoende omzet om de kosten te kunnen dekken en het lijden van verlies niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De curator heeft onvoldoende onderbouwd waarom die conclusie in dit geval wel getrokken zou mogen worden. Met name heeft hij niet aangegeven dat en waarom het lijden van verliezen te wijten was aan beslissingen van het bestuur die geen enkel redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben genomen en welke beslissingen dat dan concreet betreft. Door [gedaagde in conventie 1] is uiteengezet welke kosten werden gemaakt, namelijk kosten voor personeel, huisvesting, verzekeringen en internet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dergelijke kosten voor basisbehoeften van een (startende) onderneming onder de gegeven omstandigheden onbehoorlijk bestuur zouden opleveren. Het bovenstaande hoeft echter niet uit te sluiten dat het bestuur zijn taken toch op kennelijke onbehoorlijke wijze heeft uitgeoefend indien het, waar het de omvang van de geïnvesteerde bedragen betreft, had moeten begrijpen dat investeringen van een dergelijke omvang niet, althans niet binnen een redelijke termijn, zouden kunnen worden terugverdiend. Door de curator zijn echter geen feiten gesteld waaruit volgt dat het voor het bestuur op een gegeven moment, nadat de eerste investeringen reeds waren gedaan, duidelijk was dat [eiser in conventie] […]”
r.o. 4.6
“Ten aanzien van het verwijt dat niet eerder het faillissement is aangevraagd overweegt de rechtbank als volgt. Dit verwijt komt erop neer dat de onderneming in de loop van 2023 (of eerder) al feitelijk failliet was en dat het kennelijk onbehoorlijke bestuur eruit bestaat dat toen het faillissement niet is aangevraagd. Dit verwijt kan, indien juist, naar het oordeel van de rechtbank niet zelfstandig een beroep op artikel 2:248 lid 1 BW dragen. Daarvoor is immers (tevens) nodig dat het kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement, terwijl het onderhavige verwijt juist vooronderstelt dat voorafgaand aan het vermeende onbehoorlijke bestuur de faillissementstoestand feitelijk reeds was ontstaan. Datzelfde geldt voor het verwijt dat beschikbare middelen niet zijn aangewend om de vorderingen van [persoon 1] en [persoon 3] te betalen met als doel het faillissement af te wenden.”
r.o. 4.10
“Voor zover de curator een zelfstandig beroep op artikel 2:9 BW heeft willen doen, heeft de curator zijn stellingen onvoldoende geconcretiseerd. Voor een geslaagd beroep op artikel 2:9 BW is immers vereist dat de curator stelt en zo nodig bewijst dat de vennootschap schade heeft geleden als gevolg van een tekortkoming van de bestuurder waarvan hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator heeft dit nagelaten. Het verwijt dat een te rooskleurig beeld is geschetst waardoor aandeelhouders/financiers zijn ingestapt treft geen doel. Niet valt immers in te zien hoe dit heeft geleid tot schade voor de vennootschap. Het betreft bovendien een verwijt vanuit de financiers/aandeelhouders. De curator kan evenwel geen vordering instellen namens individuele schuldeisers maar slechts ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Datzelfde geldt voor het verwijt dat het bestuur richting de aandeelhouders niet heeft voldaan aan de informatieverplichting zoals opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst. De curator heeft niet onderbouwd dat sprake is van een verplichting die beoogt de rechtspersoon te beschermen (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek)), welke concrete informatie had behoren te worden gedeeld maar is achtergehouden, welke vragen niet zijn beantwoord en wat daarvan dan de schade is geweest die de vennootschap daardoor heeft geleden. Bovendien is door [gedaagden in conventie] betwist dat informatie werd achtergehouden. In dat […]”
r.o. 4.13