← Week 22

Rechtbank Midden-Nederland · 21 januari 2026

Bevoegdheid rechtbank bij nietigheid en vernietiging van VvE-besluiten (artikel 2:14 BW)

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een appartementseigenaresse vordert bij de rechtbank primair nietigheid en subsidiair vernietiging van besluiten van haar vereniging van eigenaars. De vereniging stelt dat alleen de kantonrechter bevoegd is en dat een verzoekschrift nodig is. De rechtbank acht zich bevoegd, omdat de nietigheidsvordering berust op artikel 2:14 BW, en beoordeelt om redenen van doelmatigheid ook de subsidiaire vernietigingsvordering. De provisionele vordering tot schorsing van besluiten wijst zij af als onvoldoende onderbouwd.

Kernoverwegingen

“De rechtbank acht zich bevoegd om de vorderingen van [procesdeelneemster 1] te beoordelen. [procesdeelneemster 1] roept namelijk (zo leest de rechtbank die vorderingen) eerst de nietigheid in van bepaalde besluiten van de VvE. De rechtsbasis daarvoor is artikel 2:14 BW, waarover de rechtbank bevoegd is te beslissen. Voor zover die besluiten niet nietig zijn, vordert [procesdeelneemster 1] (de rechtbank leest: subsidiair) dat de rechtbank die besluiten vernietigt. De rechtsbasis daarvoor is artikel 5:130 BW, waarvoor (zo stelt VvE c.s. terecht) de kantonrechter bevoegd is en een dergelijke eis bij verzoekschrift moet worden ingediend. Maar naar het oordeel van de rechtbank blijft het belangrijkst het inroepen van de nietigheid. In het kader van doelmatigheid en procesorde zal de rechtbank ook beslissen, wanneer in de hoofdzaak de besluiten niet nietig zijn, of de besluiten vernietigd kunnen worden. Genoemde doelmatigheid en procesorde gaan in dit geval vóór de omstandigheid dat dergelijke eisen op zichzelf voor de kantonrechter bij verzoekschrift moeten worden ingediend. De incidentele vordering tot exceptie van absolute onbevoegdheid van VvE c.s. wordt daarom afgewezen.”

r.o. 3.1

“De besluiten van de VvE worden niet opgeschort of geschorst. [procesdeelneemster 1] stelt in zijn algemeenheid dat door het uitvoeren van genoemde besluiten feitelijke en financiële situaties ontstaan, die achteraf niet meer zouden zijn terug te draaien. Volgens [procesdeelneemster 1] heeft dat gevolgen voor de hoogte van haar bijdragen, de opbouw en besteding van het reservefonds en de uitvoering van het onderhoudsplan. Maar hoe groot dat belang van [procesdeelneemster 1] zou zijn, welke gevolgen dat precies voor haar heeft en waarom uitvoering van de besluiten haar belangen zodanig schaadt dat opschorting gerechtvaardigd is, legt [procesdeelneemster 1] niet uit. Ook legt [procesdeelneemster 1] niet uit waarom genoemde besluiten niet meer terug te draaien zouden zijn, wanneer de rechtbank in de hoofdzaak de besluiten nietig verklaart of vernietigt. De rechtbank ziet geen reden waarom de beslissing in de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. De incidentele provisionele vordering wordt om genoemde redenen - als onvoldoende onderbouwd - afgewezen.”

r.o. 3.2

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1134
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
21 januari 2026
Datum publicatie
26 mei 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:14 BW, 5:130 BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
["n.v.t."]
Weekoverzicht
Week 22 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.