Rechtbank Midden-Nederland · 16 april 2026
Landelijk stadionverbod KNVB getoetst aan overeenkomstenrecht, niet aan artikel 2:15 BW
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Twee supporters vorderen in kort geding opheffing van een door de voetbalbond opgelegd landelijk stadionverbod van 18 maanden. De voorzieningenrechter toetst het verbod aan het overeenkomstenrecht en niet aan het rechtspersonenrecht (artikel 2:15 BW, slechts genoemd in een voetnoot), en wijst de vorderingen af.
Kernoverweging
“De rechtsgeldigheid van het opleggen van een landelijk stadionverbod moet worden getoetst aan het overeenkomstenrecht (zie ook: Hoge Raad 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:615) en niet zoals in eerdere rechtspraak is geoordeeld aan het rechtspersonenrecht.
4.6.1. De koper van het toegangsbewijs (zoals een seizoenkaart) verklaart bij de koop daarvan dat hij zich gebonden acht aan de KNVB Standaardvoorwaarden en de op dat moment geldende Richtlijn termijn stadionverbod. Hierdoor komt een overeenkomst tot stand tussen de koper van het toegangsbewijs en de KNVB. De inhoud van die overeenkomst wordt bepaald door de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod.
4.6.2. In de KNVB Standaardvoorwaarden worden regels gegeven die door de koper van een toegangsbewijs (hierna: de voetbalsupporter) moeten worden nageleefd. Ook wordt in deze voorwaarden bepaald welke maatregelen de KNVB mag opleggen als die regels niet worden nageleefd. Eén van die maatregelen is het opleggen van een landelijk stadionverbod. In de Richtlijn termijn stadionverbod worden de gedragingen opgesomd waarvoor een landelijk stadionverbod kan worden opgelegd onder vermelding van de duur van het verbod.
4.6.3. Uitgangspunt is dat de tussen de koper van het toegangsbewijs en de KNVB overeengekomen regels (in de KNVB Standaardvoorwaarden en de Richtlijn termijn stadionverbod) moeten worden toegepast. Afspraak is immers afspraak. Zowel de KNVB als de voetbalsupporter moeten zich aan de tussen hen […]”
r.o. 4.6