Rechtbank Midden-Nederland · 4 mei 2026
Kort geding: besluit KNVB wedstrijd met niet-speelgerechtigde speler niet over te laten spelen
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een betaaldvoetbalorganisatie in degradatiegevaar wilde in kort geding afdwingen dat een wedstrijd waarin de tegenpartij een niet-speelgerechtigde speler opstelde, ongeldig werd verklaard en werd overgespeeld. De voorzieningenrechter toetst het afwijzende besluit van het competitiebestuur van de bond aan artikel 2:15 lid 1 en artikel 2:8 BW. Het reglement geeft beleidsvrijheid om een wedstrijd ongeldig te verklaren, en het besluit is na terughoudende toetsing niet onredelijk. De vorderingen worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“Het gaat in dit kort geding om een besluit van een rechtspersoon. Namelijk het besluit van 8 april 2026 van het competitiebestuur betaald voetbal (hierna: het competitiebestuur). Het competitiebestuur is een orgaan van de KNVB en is belast met de vaststelling van en het toezicht op wedstrijden in de mannen eredivisie en eerste divisie. Een besluit van een rechtspersoon is vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als dat in strijd is met een reglement of als dat in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.
Het besluit is niet in strijd met een reglement”
r.o. 3.3
“In de eerste zin van onderdeel b van het vierde lid van artikel 7 RWBV staat dat het competitiebestuur de wedstrijd ongeldig kan verklaren. Het woord kan betekent over het algemeen dat er sprake is van beleidsvrijheid. Tijdens de mondelinge behandeling heeft NAC dat ook erkend. In de tweede zin van onderdeel b staat dat het competitiebestuur bepaalt of de wedstrijd zal worden overgespeeld. Het woord bepaalt in combinatie met het woord of wijst ook op beleidsvrijheid van het competitiebestuur. Kortom het gebruik van deze woorden in artikel 7 lid 4 onder b geeft aan dat het competitiebestuur de vrijheid heeft om te beslissen of een wedstrijd ongeldig wordt verklaard en of die over wordt gespeeld. Dit is niet alleen taalkundig een aannemelijke uitleg van de woorden kan en bepaalt of, maar wordt bevestigd door het feit dat het woord kan ook in onderdeel a van artikel 7 lid 4 wordt gebruikt. Daar geeft het aan dat de aanklager de vrijheid heeft om te beslissen of een zaak wordt behandeld conform de bepalingen van het regelement Tuchtrechtspraak Betaald Voetbal. Het zou niet zonder meer logisch zijn als binnen hetzelfde artikel het woord kan voor de aanklager beleidsvrijheid zou betekenen en voor het competitiebestuur niet. De conclusie is dan ook dat artikel 7 lid 4 onder b de KNVB de vrijheid geeft om te beslissen of een wedstrijd ongeldig wordt verklaard en of die overgespeeld wordt.
Eerst ongeldig verklaren dan pas overspelen”
r.o. 3.8
“Samengevat moet artikel 7 lid 4 RWBV zo uitgelegd worden dat:
lid 4 onder b een discretionaire bevoegdheid bevat voor het competitiebestuur om een wedstrijd al dan niet ongeldig te verklaren het competitiebestuur een wedstrijd eerst ongeldig moet verklaren voordat zij een beslissing neemt over het al dan niet overspelen van een wedstrijd lid 4 onder c alleen een beperking vormt op de bevoegdheid van het competitiebestuur als het gaat om de beslissing om een wedstrijd over te laten spelen (de laatste zin van lid 4 onder b) en niet ook beperking van de bevoegdheid om een wedstrijd ongeldig te verklaren (de eerste zin van lid 4 onder b).
Het besluit is niet in strijd met redelijkheid en billijkheid”
r.o. 3.12