Rechtbank Midden-Nederland · 3 juli 2026
Bevoegdheid kantonrechter bij ontbinding arbeidsovereenkomst ontslagen zieke statutair bestuurder
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een vennootschap vraagt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met haar ontslagen statutair bestuurder te ontbinden. De bestuurder stelt dat artikel 2:241 BW de rechtbank van de statutaire zetel exclusief bevoegd maakt. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder al ziek was voor het vennootschapsrechtelijke ontslag. Daardoor gold een opzegverbod en liep de arbeidsovereenkomst door. De kantonrechter van de woonplaats van de bestuurder is bevoegd en het bevoegdheidsincident wordt afgewezen.
Kernoverwegingen
“Artikel 2:241 BW bepaalt dat de rechtbank in het arrondissement waar de vennootschap haar statutaire zetel heeft, in beginsel exclusief bevoegd is om te oordelen over vorderingen die voortvloeien uit de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder.”
r.o. 3.1
“Het uitgangspunt bij het ontslag van een statutair bestuurder is dat het (vennootschapsrechtelijke) ontslagbesluit óók een einde maakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Hierop is in de jurisprudentie nadrukkelijk echter een uitzondering gemaakt voor de situatie dat sprake is van een wettelijk ontslagverbod. Het bestaan van een ontslagverbod maakt dat de vennootschapsrechtelijke ontslag wel doorgaat, er is geen sprake meer van statutair bestuurderschap, maar het arbeidsrechtelijke deel niet, omdat het wettelijke ontslagverbod de beëindiging van het arbeidsrechtelijke deel blokkeert, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst wel doorloopt.”
r.o. 3.2
“In dit geval heeft de ziekmelding van [verweerder] plaatsgevonden op 29 december 2025, dat wil zeggen voor het vennootschapsrechtelijke ontslag en ook voor de oproeping van de vergadering waar dat ontslagbesluit heeft plaatsgevonden. Omdat [verweerder] al arbeidsongeschikt was toen hij als statutair bestuurder werd ontslagen, was sprake van een opzegverbod en kon – ondanks het ontslag als statutair bestuurder - de arbeidsovereenkomst niet zonder meer worden beëindigd.”
r.o. 3.3