Rechtbank Midden-Nederland · 29 juli 2026
Afwikkeling vof tussen broers: negatieve kapitaalrekening, verrekening en verjaring
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Twee voormalige vennoten van een opgeheven vennootschap onder firma twisten over de afwikkeling van de vennootschap, met name over het negatieve kapitaal van een uitgetreden vennoot en over verrekening. De rechtbank oordeelt dat een vordering van de uitgetreden vennoot op de vof is verjaard en niet meer kan worden verrekend, maar dat een in de afrekening bij uittreding overeengekomen vordering wel verrekend kan worden. Voor een deel van de vordering wordt bewijslevering toegelaten.
Kernoverwegingen
“Partijen zijn het erover eens dat het kapitaal van [gedaagde (voornaam)] € 35.395,50 negatief is. Dit bedrag heeft [gedaagde (voornaam)] meer opgenomen dan hem toekwam op grond van de vof-akte. Dit betekent dat [eiser (voornaam)] een vordering van datzelfde bedrag op de vof heeft. [eiser (voornaam)] vordert daarom (onder andere) betaling van dit bedrag. Partijen verschillen wel van mening of [gedaagde (voornaam)] op zijn beurt nog verrekenbare vorderingen op de vof heeft.
Vordering € 20.000 is verjaard, geen verrekeningsbevoegdheid”
r.o. 3.1
“De rechtbank overweegt dat als al zou komen vast te staan dat de contante betaling van [gedaagde (voornaam)] afkomstig was uit zijn privévermogen, wat door [eiser (voornaam)] gemotiveerd wordt betwist, de vordering is verjaard. De vordering is ontstaan in 2010, bij de aankoop van het bedrijfspand. Dit betekent dat de vordering in 2015 is verjaard. Van stuiting is daarnaast geen sprake.[gedaagde (voornaam)] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar gesteld dat hij de verjaring heeft gestuit door bij [eiser (voornaam)] mondeling aanspraak te maken op betaling van het onder 3.2 genoemde bedrag, maar voor stuiting in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW is vereist dat dit schriftelijk gebeurt. Niet is gebleken dat [gedaagde (voornaam)] [eiser (voornaam)] schriftelijk heeft aangemaand tot betaling van het bedrag.”
r.o. 3.3
“Hoewel het klopt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering (art. 6:131 lid 1 BW), geldt die uitzondering enkel als er een verrekeningsbevoegdheid bestond op het moment dat de vordering verjaarde. Nadat een vordering eenmaal is verjaard, kan een partij dus geen verrekeningsbevoegdheid verkrijgen doordat daarna een schuld ontstaat. De vordering van [gedaagde (voornaam)] op de vof is in 2015 verjaard. De schuld van [gedaagde (voornaam)] aan de vof is pas in 2023 ontstaan, toen [gedaagde (voornaam)] meer van de vof-rekening heeft opgenomen dan hem toekwam. Het voorgaande betekent dat [gedaagde (voornaam)] geen beroep meer kan doen op verrekening.
Wel verrekening vordering € 4.592,15”
r.o. 3.4