Rechtbank Midden-Nederland · 1 september 2026
Kort geding: voorschot schadevergoeding tegen bestuurder en feitelijk beleidsbepaler afgewezen
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
- Zijdelings
Samenvatting
In een kort geding over de afwikkeling van een samenwerking bij een woonproject vorderen de eisers onder meer stukken, overdracht van nutsovereenkomsten en een voorschot op schadevergoeding van de bestuurder en de feitelijk beleidsbepaler in persoon. De voorzieningenrechter acht het voorshands aannemelijk dat de partner van de bestuurder feitelijk beleidsbepaler is van de gedaagde vennootschappen. De gevorderde lijfsdwang en het voorschot op schadevergoeding worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Een groot deel van de overige vorderingen wordt toegewezen.
Kernoverwegingen
“Naast de rol die [gedaagde sub 1] op grond van de projectmanagementovereenkomst had, zijn de volgende omstandigheden relevant voor het voorlopige oordeel dat [gedaagde sub 1] als feitelijk beleidsbepaler van de gedaagde rechtspersonen optreedt:
volgens [gedaagde sub 1] is haar man sinds eind 2022 niet meer in staat om de rol van bestuurder te vervullen en hij kan dus niets doen namens de rechtspersonen. Zij is daarom vanaf dat moment deze rol gaan vervullen en op het moment dat zij dat niet (meer) doet, handelt er niemand namens de rechtspersonen; alleen [gedaagde sub 1] communiceert de laatste jaren namens de rechtspersonen; ook na het vorige vonnis heeft [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 5] met [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. gecommuniceerd over de wijze waarop aan dat vonnis kon worden voldaan; [gedaagde sub 1] beheert de [naam 1] website, het Facebookaccount, het Instagramaccount en de LinkedInpagina van [gedaagde sub 5] .”
r.o. 4.11
“[gedaagde sub 1] stelt dat zij inmiddels niets meer namens de rechtspersonen doet en dat zij daarom ook niet veroordeeld kan worden om stukken te overleggen. Op dit moment is er volgens haar dan ook niemand die namens de rechtspersonen kan handelen. Maar dat zij niets meer doet, blijkt niet uit haar recente activiteiten. Bijvoorbeeld:
Op 30 juni 2026 heeft ze (samen met [gedaagde sub 2] ) de hoofdzekering van woonblok A meegenomen; Ze blijft contact opzoeken met de gemeente [gemeente] over het project; Ze onderhoudt nog steeds de Facebookpagina met de naam [naam 1] ; Ze heeft een nieuw Instagramaccount geopend met de naam [naam 2] ; Ze heeft contact opgenomen over de MIA-subsidie met een belastinginspecteur; Ze heeft contact opgenomen over het elektriciteitsnetwerk en het handelen van [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. met Liander, de politie en ACM.
Dat zij niets voor of met het project doet, klopt dus niet. Daarom is het voorshands aannemelijk dat [gedaagde sub 1] nog steeds feitelijk beleidsbepaler van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 6] is.
8. Voor geen enkele vordering wordt nu lijfsdwang opgelegd”
r.o. 4.12
“De betaling van een voorschot voor schadevergoeding door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] wordt afgewezen, want [eiseres sub 1 (C.V.)] c.s. hebben deze vordering onvoldoende onderbouwd. Zij stellen dat zij schade lijden omdat:
de huurafdrachten niet zijn ontvangen; huurinkomsten zijn misgelopen een nieuwe projectmanager moest worden ingehuurd; de MIA-subsidie door het handelen mogelijk niet wordt verkregen; e Woody’s inbreuk maken op de auteursrechten van een andere architect; facturen van [eiseres sub 3] niet zijn betaald.”
r.o. 4.27