Rechtbank Noord-Holland · 6 mei 2026
Persoonlijke aansprakelijkheid VvE-bestuurders voor uitlatingen op ALV; afgewezen
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een appartementseigenaar vorderde van de bestuursleden van zijn VvE een verklaring voor recht en rectificatie van uitlatingen op een ledenvergadering, waarin was gezegd dat hij de AVG overtrad. De rechtbank past het vereiste van een persoonlijk ernstig verwijt voor bestuurdersaansprakelijkheid uit artikel 6:162 BW toe: dat ontbreekt bij de niet betrokken bestuurders. Bij de bestuurder die de uitlating deed, weegt de vrijheid van meningsuiting zwaarder dan eer en goede naam. De vorderingen worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“In deze zaak gaat het – zoals hiervoor overwogen – om uitlatingen die tijdens de ALV van 12 november 2024 zijn gedaan door bestuursleden van de VvE, waarbij [eiser] is beschuldigd van het overtreden van de AVG en waarbij is gezegd dat hiervan aangifte is gedaan (zie hiervoor onder 2.3). De rechtbank stelt vast dat deze uitlatingen zijn gedaan door voormalig bestuurder [betrokkene] en door [gedaagde 2]. Verder stelt de rechtbank vast dat niet het bestuur van de VvE is gedagvaard, maar de (huidige) individuele bestuursleden. De rechtbank zal per gedaagde moeten nagaan of sprake is van onrechtmatig handelen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat bestuurders van een rechtspersoon in beginsel niet persoonlijk kunnen worden aangesproken voor gedragingen verricht in de uitoefening van hun bestuurstaak. Daarvoor is vereist dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627). [betrokkene] is geen partij in deze procedure. Dit betekent dat eventueel onrechtmatig handelen van [betrokkene] in deze zaak buiten beschouwing blijft.
Toetsingskader uitlatingen; vrijheid van meningsuiting versus recht op eerbiediging eer en goede naam”
r.o. 4.4
“Ten aanzien van de gedaagden [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] waren bestuurder ten tijde van de ALV. Dit brengt mee dat, ook indien de uitlatingen onrechtmatig zouden zijn, voor toewijzing van de vorderingen vereist is dat hen een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De uitlatingen zijn gedaan door [betrokkene] en [gedaagde 2]. [eiser] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet betrokken zijn geweest bij de uitlatingen. Van een persoonlijk ernstig verwijt kan dus geen sprake zijn, zodat [gedaagde 1], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser].
[gedaagde 5] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]”
r.o. 4.6
“Met betrekking tot [gedaagde 5] geldt dat zij ten tijde van de ALV van 12 november 2024 nog niet was toegetreden tot het bestuur. Evenmin is gebleken dat zij op enige wijze bij de uitlatingen betrokken is geweest. Ook [gedaagde 5] heeft dus niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser].
[gedaagde 2] heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser]”
r.o. 4.7