← Week 10

Rechtbank Noord-Holland · 20 februari 2026

Kort geding: voortzettingsbeding maatschap en onrechtmatig handelen uittredende maat

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

In kort geding gaat het om de afwikkeling van een opgezegde maatschap van een merkenbureau. De voorzieningenrechter oordeelt dat de ingebrachte klanten en het opgebouwde klantenbestand tot het maatschapsvermogen behoren en dat de voortzettende maat op grond van het voortzettingsbeding de onderneming mag voortzetten. De uittredende maat handelde in strijd met de maatschapsovereenkomst door klanten te benaderen en bedrijfsgegevens te gebruiken. De vorderingen van de voortzettende maat worden grotendeels toegewezen.

Kernoverwegingen

“De Voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 4 lid 1 van de maatschapsovereenkomst bepaalt dat [eiser] en [gedaagde] hun relaties in de maatschap hebben ingebracht voor zover die betrekking hebben op de door de maatschap te drijven onderneming. Dit betekent dat deze relaties tot het bedrijfsdebiet van de onderneming zijn gaan behoren. Dat geldt ook voor het klantenbestand dat tijdens de duur van de maatschap door gezamenlijke inspanningen is opgebouwd. De Voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de ingebrachte klanten en het tijdens de maatschap opgebouwde klantenbestand tot het maatschapsvermogen behoren.”

r.o. 4.4

“Omdat [gedaagde] de maatschap heeft opgezegd en [eiser] tijdig een beroep heeft gedaan op het voorzettingsbeding, heeft [eiser] het recht om de onderneming van de maatschap voort te zetten onder de verplichting alle tot het maatschapsvermogen behorende vermogensbestanddelen - waaronder het klantenbestand - over te nemen, de schulden voor haar rekening te nemen en aan [gedaagde] in geld uit te keren de waarde van haar aandeel in dit vermogen. Dit zou alleen anders zijn als partijen overeenstemming hebben bereikt over een van dit uitgangspunt afwijkende regeling, maar daarvan is geen sprake. [eiser] heeft eind oktober 2025 weliswaar aan [gedaagde] gevraagd om een lijst op te stellen van relaties en dossiers die [gedaagde] zou willen blijven bedienen, maar partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de afwikkeling van het maatschapsvermogen en het meenemen van bepaalde relaties door [gedaagde]. [eiser] heeft [gedaagde] er in het bedoelde bericht ook op gewezen dat alle relaties en dossiers in beginsel tot het aan haar verblijvende en voortgezette maatschapsvermogen behoren.

[gedaagde] heeft in strijd met de maatschapsovereenkomst gehandeld”

r.o. 4.5

“Uit het vorenstaande volgt dat [gedaagde] in strijd met de maatschapsovereenkomst heeft gehandeld door op 2 januari 2026 een deel van het klantenbestand van [bedrijf 1] per e-mail te benaderen met het voorstel om bij haar te blijven onder het toesturen van een voorbeeld opzegtekst aan ‘team [bedrijf 1]’. Datzelfde geldt voor het (doen) gebruiken van de bedrijfsgegevens van [bedrijf 1], waaronder klant- en dossierinformatie. [gedaagde] heeft daarnaast gelet op het voortzettingsbeding na 31 december 2025 geen recht meer op vermogensbestanddelen van de maatschap en dus geen toegang meer tot de (Microsoft)-werkomgeving van [bedrijf 1]. Door haar advocaat de IT-specialist van [bedrijf 1] aan te laten schrijven om haar toegang tot de werkomgeving te geven, heeft zij ook om die reden in strijd met de maatschapsovereenkomst gehandeld. Door in strijd te handelen met de maatschapsovereenkomst is sprake van onrechtmatig handelen tegenover [eiser].

Gevorderde bevelen”

r.o. 4.6

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:1514
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
20 februari 2026
Datum publicatie
5 maart 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 10 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.