Rechtbank Noord-Holland · 12 maart 2026
Inzage financiële stukken: verzoek tegen voormalig bestuurder in plaats van bewaarder niet-ontvankelijk
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een schuldeiser van een failliete B.V. verzocht om een voorlopig deskundigenbericht of inzage in de financiële stukken, om een aansprakelijkheidsprocedure tegen de voormalig bestuurder voor te bereiden. De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk, omdat het had moeten worden gericht tegen de bewaarder van de boeken en bescheiden (artikel 2:24 BW) en artikel 2:11 BW in deze procedure geen toepassing vindt. Ten overvloede wijst de rechtbank het verzoek af wegens gebrek aan belang, omdat de curator het onderzoek al had verricht.
Kernoverwegingen
“Doel van deze procedure is dat [verzoeker] inzage wenst te krijgen in de financiële gegevens van [de B.V.] en/of die gegevens door een (voorlopig) deskundige willen laten onderzoeken. Volgens [verweerder] moet [verzoeker] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek omdat zij haar verzoek had moeten richten tegen [naam] Beheer, als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] , en niet tegen [verweerder] . In reactie op dit verweer heeft [verzoeker] gewezen op artikel 118 Rv. [verzoeker] heeft ook gewezen op artikel 2:11 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en heeft gesteld dat zij uiteindelijk toch bij [verweerder] , als bestuurder van [naam] Beheer en (indirect) bestuurder van [de B.V.] , zal uitkomen.”
r.o. 4.2
“De rechtbank oordeelt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] erkend dat [naam] Beheer bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven als bewaarder van de boeken en bescheiden van [de B.V.] . Op grond van artikel 2:24 BW kan een bewaarder inzage geven in de aan hem toevertrouwde gegevens van een ontbonden vennootschap. De rechtbank stelt vast dat [verweerder] niet als bestuurder van [naam] Beheer, of in zijn hoedanigheid van voormalig bestuurder van [de B.V.] , in deze procedure is betrokken. De verwijzing van [verzoeker] naar de artikelen 118 Rv en 2:11 BW kunnen er niet toe leiden dat [naam] Beheer wél moet worden beschouwd als in deze procedure te zijn opgeroepen en verschenen, zoals [verzoeker] lijkt te stellen. Artikel 118 Rv ziet op de dagvaardingsprocedure en is in de onderhavige verzoekschriftprocedure niet van toepassing. Artikel 2:11 BW mist in deze procedure toepassing omdat in deze procedure een voorlopige bewijsverrichting wordt verzocht en het niet gaat over de aansprakelijkheid. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [verzoeker] haar verzoek ten onrechte heeft gericht aan [verweerder] . De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Gebrek aan belang”
r.o. 4.3
“Onder deze omstandigheden deelt de rechtbank het standpunt van [verweerder] dat het verzoek van [verzoeker] kan worden gezien als een zogenaamde ‘fishing expedition’. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] geen belang heeft bij haar verzoek en haar verzoek dient dan ook te worden afgewezen.
Proceskosten”
r.o. 4.9