Rechtbank Noord-Holland · 18 maart 2026
Uitgetreden vennoot blijft hoofdelijk aansprakelijk voor huurschuld van ontbonden vof
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een verhuurder vordert de huurachterstand van een ontbonden vennootschap onder firma van haar vennoten. De kantonrechter oordeelt dat een uitgetreden vennote hoofdelijk gebonden blijft voor de huurverplichtingen tot het einde van de huurovereenkomst. De onderlinge vaststellingsovereenkomst tussen de vennoten werkt niet jegens de verhuurder. In de vrijwaringszaak wordt de vordering tegen de andere vennoot toegewezen, nu hij geen verweer voert.
Kernoverwegingen
“Vennoten zijn hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verbintenissen van de v.o.f. . Voor verbintenissen die ontstaan zijn na het uittreden van een vennoot, is deze in beginsel niet aansprakelijk. In het onderhavige geval gaat het onder meer om huurschulden die voorafgaand aan en na het uittreden van [gedaagde 2] uit [gedaagde 1] zijn ontstaan. [eiser] heeft aangevoerd dat de huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar die blijkens de akte van indeplaatsstelling na 31 augustus 2022 voor vijf jaar is verlengd. [gedaagde 2] heeft dit niet weersproken. Dat betekent dat [gedaagde 2] zich als vennoot van [gedaagde 1] jegens [eiser] hoofdelijk heeft verbonden de huur tot het einde van de huurovereenkomst te voldoen. Door het uittreden van [gedaagde 2] uit IJzerman is deze verbintenis niet geëindigd. Het verweer van [gedaagde 2] dat zij niet kan worden aangesproken voor enige schuld die na 1 januari 2024 uit de huurovereenkomst is ontstaan faalt derhalve.”
r.o. 6.2
“De tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gesloten vaststellingsovereenkomst met een overdracht van de onderneming doet daar niet aan af. De daarin vastgelegde afspraken hebben alleen werking tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 3]; [eiser] is hierbij geen partij geweest. Onder omstandigheden kan toewijzing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, maar hier is niet voldoende van gebleken. Daar is meer voor nodig dan het enkele feit dat [gedaagde 2] feitelijk niet meer betrokken was bij de onderneming of dat zij geen toegang meer had tot het gehuurde. Dat [gedaagde 2] alles in het werk heeft gesteld om alsnog tot oplossingen te komen, is te prijzen maar maakt niet dat zij uit haar betalingsverplichting wordt ontslagen.”
r.o. 6.3
“[gedaagde 2] heeft toegelicht dat zij met [gedaagde 3] is overeengekomen dat hij de onderneming van [gedaagde 1] van haar zou overnemen en vervolgens zou inbrengen in [bedrijf]. Volgens [gedaagde 2] is daarbij expliciet door [gedaagde 3] de verzekering gegeven dat ook de huurachterstand door [bedrijf] zou worden voldaan, en dat [gedaagde 3] een nieuwe huurovereenkomst zou aangaan. [gedaagde 3] is volgens [gedaagde 2] keer op keer zijn afspraken niet nagekomen met als gevolg dat zij ten onrechte door [eiser] wordt aangesproken in verband met de openstaande huurschuld. In dit verband heeft [gedaagde 2] onder meer verwezen naar het whatsapp-gesprek met [gedaagde 3] van 23 november 2023 en naar de VSO. Daarmee heeft [gedaagde 2] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat het de bedoeling van partijen is geweest dat [gedaagde 3] haar in persoon zou vrijwaren, en in verband daarmee [bedrijf] zou inschakelen. De omstandigheid dat in de VSO in dit verband alleen [bedrijf] wordt genoemd acht de kantonrechter gelet op de inhoud van voormeld whatsappgesprek van ondergeschikt belang. De vordering komt de kantonrechter overigens niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.”
r.o. 6.8