Rechtbank Noord-Holland · 29 april 2026
Verdeling vermogen ontbonden vof; onttrekkingen en vertegenwoordigingsbevoegdheid vennoot
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Twee vennoten dreven een vof die is ontbonden; zij zijn het niet eens over de verdeling van het vermogen. De rechtbank wil de verdeling zelf vaststellen volgens de regels van de gemeenschap, ziet geen noodzaak voor een deskundige en draagt een vennoot op zijn verweer over onttrekkingen te onderbouwen. Betalingen aan de echtgenote van een vennoot waren onverschuldigd, omdat de vennoot zijn beperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid uit het handelsregister overschreed.
Kernoverwegingen
“Voordat tot verdeling kan worden overgegaan, moet eerst vereffening van de vennootschap plaatsvinden. Daarbij moeten de schuldeisers van de vennootschap worden betaald. Bij de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat er mogelijk nog een schuld aan een videograaf van € 5.403,65 open staat. Als dat (nog steeds) het geval is, zullen [eiser] en [gedaagde 1] als verantwoordelijken voor de vereffening van de vennootschap deze partijen deze in het kader van de vereffening eerst moeten voldoen.”
r.o. 5.9
“Het vermogen dat resteert nadat de vennootschapscrediteuren volledig zijn voldaan, zal moeten worden verdeeld. Voor de ontbonden gemeenschap van een vennootschap onder firma gelden (in beginsel) de bepalingen van de gemeenschapstitel van boek 3 BW. Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat de rechter op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling vaststelt of de verdeling zelf vaststelt voor zover deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen. Duidelijk is dat [eiser] en [gedaagde 1] er niet in slagen om afspraken te maken over verdeling. De rechtbank is daarom voornemens op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.”
r.o. 5.10
“Bij gebrek aan betwisting door [gedaagde 1] (die in algemene zin bevestigt dat hij privé-onttrekkingen heeft gedaan) volgt de rechtbank [eiser] in zijn stelling dat [gedaagde 1] € 139.398,27 van de rekening van [bedrijf] heeft opgenomen en overigens € 64.675,93 voor zich aan het vermogen van de vennootschap heeft onttrokken. Het onttrokken bedrag is € 39.250 minder dan door [eiser] gesteld. Uit de overgelegde documenten blijkt namelijk dat de auto die voor dit bedrag voor de vennootschap is gekocht. Wel moet de verkoopopbrengst meegenomen worden bij de berekening van het te verdelen vermogen na vereffening. Daarmee staat vast dat [gedaagde 1] door de jaren heen € 204.074,20 heeft opgenomen en/of onttrokken. Dat [gedaagde 1] daarnaast gelden heeft weggesluisd via de stichting [naam 2] heeft [eiser] in het geheel niet onderbouwd. De enkele stelling dat [eiser] daarvoor vreest is niet genoeg.”
r.o. 5.14