← Week 24

Rechtbank Noord-Holland · 4 juni 2026

Kort geding tegen voorgenomen ontslag stichtingsbestuurder door raad van toezicht afgewezen

  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De enig statutair bestuurder van een hospicestichting vordert in kort geding een verbod voor de raad van toezicht om een (tweede) voorgenomen ontslagbesluit te nemen, totdat in een procedure op grond van artikel 2:298 BW over voorlopige voorzieningen is beslist. De voorzieningenrechter toetst met terughoudendheid of de raad van toezicht alle belangen in redelijkheid heeft kunnen afwegen (artikel 2:8 BW). Gelet op de vertrouwensbreuk, de wijze van informatieverstrekking en de niet-gerespecteerde toezichtrelatie wijst zij de vorderingen af.

Kernoverwegingen

“De vordering strekt ertoe op te komen tegen het voorgenomen ontslag door dat ontslag hangende een door eiseres op de voet van artikel 2:298 BW aanhangig te maken procedure te doen verbieden. Tussen partijen is niet in geschil dat de raad van toezicht op grond van de statuten van de stichting bevoegd is het bestuur van de stichting te benoemen en te ontslaan. De omstandigheid dat de raad van toezicht in een eerder stadium heeft besloten dat de spanningen in de relatie tussen de bestuurder en de raad van toezicht moesten worden opgelost door een gefaseerde vernieuwing van de raad van toezicht, doet aan deze bevoegdheid niet af. In het algemeen geldt dat de raad van toezicht, zolang deze bestaat, ongeacht of deze voltallig en ongeacht de mate waarin deze inmiddels is vernieuwd, bevoegd blijft de haar bij de statuten toegekende bevoegdheden in volle omvang uit te oefenen. Zoals uit het hiervoor weergegeven verloop van de gebeurtenissen blijkt, is de raad van toezicht geleidelijk tot een gewijzigd inzicht op dit punt gekomen. Uiteraard is het in zo’n geval aan hem om de op dat gewijzigde inzicht gebaseerde besluiten zodanig te motiveren dat de wijziging begrijpelijk is en dus kan worden nagegaan of de wijziging van inzicht die besluiten in redelijkheid kan dragen.”

r.o. 4.3

“De rechter die moet beoordelen of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen, dient terughoudendheid te betrachten. Een besluit is op die grond slechts vernietigbaar indien het orgaan dat het besluit heeft genomen bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Dat impliceert dat aan het besluitvormende orgaan een aanzienlijke mate van beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt.”

r.o. 4.4

“Het is aannemelijk, en door [eiseres] in wezen ook niet betwist, dat een procedure op de voet van artikel 2:298 BW dan wel artikel 2:298a BW, met daarin een incidentele vordering tot het treffen van voorlopige voorzieningen, al spoedig een aantal maanden in beslag zal nemen. Dat vormt, in de context van de situatie binnen HGH, een aanzienlijke beperking van de vrijheid van de raad van toezicht om te handelen overeenkomstig hetgeen zij noodzakelijk acht. Genoemde terughoudendheid geldt daarom evenzeer in de processuele constellatie die in dit kort geding aan de orde is.”

r.o. 4.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:6929
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
4 juni 2026
Datum publicatie
11 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:8 BW, 2:298 BW, 2:298a BW, 2:292a BW
Thema
Besluitvorming en vernietigbaarheid, Vereniging, stichting en coöperatie
Aangesproken
["n.v.t."]
Weekoverzicht
Week 24 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.