Rechtbank Noord-Holland · 12 maart 2026
Ontheffing statutair quorumvereiste coöperatieve vereniging op grond van redelijkheid en billijkheid
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een coöperatieve vereniging met 500 leden kon haar statuten niet wijzigen, omdat de statuten aanwezigheid en instemming van alle leden vereisen. De rechtbank verleent op grond van artikel 2:8 lid 2 BW ontheffing van die quorumeis, omdat ongewijzigde handhaving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In de eerstvolgende vergadering kan daardoor met een tweederdemeerderheid worden besloten.
Kernoverwegingen
“Anders dan bij stichtingen (artikel 2:294 BW) kent de wet bij de vereniging geen mogelijkheid om de rechtbank te vragen de statuten te wijzigen als ongewijzigde handhaving zou leiden tot gevolgen die bij oprichting redelijkerwijs niet kunnen zijn gewild en de statuten niet in de mogelijkheid tot wijziging voorzien. Artikel 2:43 lid 1 BW regelt – voor het geval er in de statuten van een vereniging niets over is opgenomen – dat voor een statutenwijziging een twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen nodig is. In de statuten van de CVE is er echter wel een bepaling opgenomen over het wijzigen van de statuten, namelijk in artikel 29 van de statuten.”
r.o. 4.3
“De CVE baseert haar verzoek aan de rechtbank op grond van artikel 2:8 lid 2 BW. Op grond van artikel 2:8 lid 2 BW is een tussen hen (een rechtspersoon en degenen die krachtens wet of statuten bij de organisatie betrokken zijn) krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”
r.o. 4.7
“De rechtbank is van oordeel dat de CVE de leden voldoende heeft geïnformeerd. Het proces tot wijziging van de statuten liep al lange tijd, er zijn meerdere stemmingen geweest waarbij het quorumvereiste niet werd gehaald en er is meerdere malen tijdens de vergaderingen gesproken over de mogelijkheid van het indienen van een verzoek. Ten slotte is tijdens een vergadering en in de notulen uitdrukkelijk meegedeeld dat er een verzoekschrift bij de rechtbank was ingediend en dat een zittingsdatum zou volgen. Voor de leden was daarmee voldoende duidelijk dat er een zaak bij de rechtbank liep. Het was niet noodzakelijk het verzoekschrift naar alle 500 leden te sturen.”
r.o. 4.12