Rechtbank Oost-Brabant · 18 maart 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW: onttrekkingen, onjuiste informatiememoranda, administratie en deponering
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
De curator in het faillissement van een vennootschap die via obligaties circa € 5 miljoen ophaalde, vordert het faillissementstekort van de bestuurder op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, onder meer door onzakelijke onttrekkingen, onjuiste informatie aan investeerders, schending van de administratie- en deponeringsplicht en het ontbreken van een onderbouwd businessplan. Dit is een belangrijke oorzaak van het faillissement, ondanks de vertraging door corona en brand. De primaire vorderingen en een voorschot van € 786.988,04 worden toegewezen.
Kernoverwegingen
“De rechtbank oordeelt als volgt. [G] en [A] zijn overeengekomen dat [A] aan [G] een bedrag van € 620.000,00 betaalt voor het gebruik van de methodiek voor het produceren van circulair garen. [G] en [A] hebben daarbij afgesproken dat de IP-rechten en R&D intelligentsia bij [G] / [gedaagde] blijven. Nog afgezien van de omstandigheid dat nergens uit blijkt dat [G] / [gedaagde] een octrooi hebben laten registreren ter bescherming van een proces voor het produceren van circulair garen, is een dergelijk octrooi bij de voormelde overeenkomst kennelijk niet verkocht en overgedragen aan [A] . Waar heeft [A] dan wel het bedrag van € 620.000,00 voor betaald? [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [A] dat bedrag heeft betaald voor de know how die hij in het verleden in het buitenland heeft verworven en die hij nu ten gunste van [A] wil aanwenden. De rechtbank verwerpt dit standpunt. [gedaagde] is in Nederland begonnen met een nieuwe vennootschap ( [A] ) en een nieuwe onderneming. Zonder nadere toelichting die ontbreekt kan [gedaagde] niet de kosten voor onderzoek dat in het verleden ten behoeve van andere ondernemingen is gedaan bij [A] in rekening brengen. Weliswaar heeft [gedaagde] zijn opgedane kennis en ervaring ingezet voor [A] , maar daarvoor ontving hij een managementvergoeding. Nu niet is gebleken van een zakelijke verantwoording voor de betaling van € 620.000,00 door [A] aan [G] / [gedaagde] , oordeelt de rechtbank dat sprake is van onbehoorlijk bestuur doordat [gedaagde] […]”
r.o. 4.3
“Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat overeenkomsten van [A] met Hannibal, [J] en [gedaagde] destijds (deugdelijk) zijn vastgelegd. Dat betekent dat de rechten en verplichtingen van [A] niet te allen tijde konden worden gekend. Eventueel later opgemaakte stukken in de door [gedaagde] gedeponeerde ordners, veranderen dat op zichzelf niet en deze stukken zijn in een zeer laat stadium van de procedure (niet onverwijld na faillietverklaring) overgelegd en niet door [gedaagde] toegelicht op een wijze die voor de curator en de rechtbank voldoende overzichtelijk en begrijpelijk is. Volgens de curator klopte ook de debiteurenadministratie van [A] niet. [gedaagde] heeft op de zitting erkend dat de factuurnummers niet klopten, wat volgens hem kwam door de wisseling van boekhoudsystemen en het meegeven van gratis monsters aan bezoekers. Weliswaar heeft de Belastingdienst bij een (beperkt) boekenonderzoek geen grote gebreken gevonden en heeft de eigen financieel controller van [A] verklaard dat de administratie van [A] voldoet, maar dat doet niet af aan de negatieve reacties die de curator op zijn schrijven aan de debiteuren uit de administratie van [A] heeft ontvangen (productie 40). De rechtbank leidt daaruit af dat de rechten en verplichtingen van [A] niet te allen tijde konden worden gekend.
De openbaarmakingsverplichting”
r.o. 4.11
“In het overzicht van deponeringen voor [A] bij de KvK (productie 41 bij dagvaarding) is te zien dat de jaarrekening voor boekjaar 2021 is vastgesteld op 16 maart 2023 en is gedeponeerd op 23 maart 2023. Voor boekjaar 2022 is alleen een voorlopige jaarrekening gedeponeerd op 30 december 2023. De jaarrekening over boekjaar 2021 is dus twee maanden en 23 dagen te laat gedeponeerd en de jaarrekening over 2022 is onvolledig gedeponeerd, want deze is nog niet officieel vastgesteld. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2:394 BW.
Het ontbreken van een cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan”
r.o. 4.15