Rechtbank Oost-Brabant · 26 maart 2026
Royement minderjarige leden handbalvereniging: eerst intern beroep vereist (artikel 2:35 BW)
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Drie minderjarige leden van een handbalvereniging zijn geroyeerd vanwege gedrag van hun ouders en vorderen in kort geding terugkeer. De voorzieningenrechter kwalificeert het besluit als ontzetting en niet als opzegging, omdat niet aan artikel 2:36 BW is voldaan. Omdat de leden niet eerst intern beroep hebben ingesteld bij de algemene ledenvergadering (artikel 2:35 BW), is er geen grond voor een voorlopige voorziening. Ook een ordemaatregel tot terugkeer wordt na belangenafweging geweigerd.
Kernoverwegingen
“Mr. Van Leuken heeft tijdens de mondelinge behandeling ter zitting namens PSV het standpunt ingenomen dat het bestuur niet de bedoeling heeft gehad eiseressen als lid te royeren, maar om de lidmaatschappen op te zeggen op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 van de statuten. Op grond van artikel 2:36 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan opzegging van het lidmaatschap van de vereniging slechts geschieden tegen het einde van een boekjaar en met inachtneming van een opzegtermijn van vier weken. Nu in de statuten niet anders is bepaald, geldt ook in dit geval die wettelijke regeling. Niet gesteld of gebleken is dat opzegging heeft plaatsgevonden met inachtneming van de wettelijke bepaling. Dat maakt dat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat de beëindiging in deze zaak als een opzegging zal worden gekwalificeerd. Daar komt nog bij dat in de verschillende brieven van PSV aan de ouders van eiseressen telkens wordt gesproken over beëindiging van het lidmaatschap op grond van artikel 7 van de statuten (in welk artikel aan het bestuur de mogelijkheid wordt geboden een straf op te leggen in de vorm van royement/ontzetting uit het lidmaatschap), en over ‘royement’. Het is daarom des te minder aannemelijk dat PSV de bedoeling heeft gehad het lidmaatschap van eiseressen op te zeggen. Voor de verdere beoordeling gaat de voorzieningenrechter er dan ook vanuit dat het besluit tot ‘royement’ conform de wet een besluit tot ontzetting betreft, waartegen de bezwaren van […]”
r.o. 4.4
“Het recht van vereniging is geregeld in de artikelen 26 tot en met 52 van Boek 2 BW. De bepalingen van Boek 2 BW zijn dwingendrechtelijk van aard, er kan slechts van worden afgeweken voor zover de wet dit toestaat (artikel 2:25 BW). In artikel 2:35 lid 4 BW staat dat de ontzetting, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, door het bestuur geschiedt, en dat het lid van het besluit zo spoedig mogelijk schriftelijk, met opgave van redenen, in kennis wordt gesteld. Verder bepaalt artikel 2:35 lid 4 BW dat, tenzij de statuten een andere regeling van beroep bevatten, aan het lid beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open staat binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit. De statuten van PSV bevatten in artikel 7, vierde lid van de statuten een bepaling waarin (in lijn met artikel 2:35 lid 4 BW) staat dat een lid van de vereniging aan wie een besluit tot royement / ontzetting uit het lidmaatschap is medegedeeld, het recht heeft om binnen een maand na ontvangst van dat besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet het ontzette lid eerst gebruik maken van de interne beroepsmogelijkheid, alvorens hij zich bij de rechter tegen de ontzetting kan verzetten (vgl. HR 14 mei 1965, NJ 1965/259).”
r.o. 4.5
“Eiseressen hebben geen gebruik gemaakt van de interne beroepsmogelijkheid. De verwachting is dan ook dat, indien eiseressen de vordering tot nietigheid/vernietigbaarheid van het besluit op dit moment aan de bodemrechter zouden voorleggen, de bodemrechter niet aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering toekomt en eiseressen in hun vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Gelet op die verwachte uitkomst van de bodemprocedure, terugverwijzend naar het kader voor de beoordeling in kort geding zoals opgenomen onder 4.1., bestaat er geen (juridische) grond voor het treffen van de door eiseressen onder i gevraagde voorlopige voorziening.”
r.o. 4.6