Rechtbank Oost-Brabant · 3 juni 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid wegens te late verzekeringsmelding en selectieve betaling aan indirect bestuurder
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De rechtbank wijst een vordering toe van een schuldeiser tegen een houdstervennootschap als bestuurder van een failliete vennootschap en tegen de bestuurder daarvan. Het te laat melden van het schadegeval bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en het wegsluizen van de schikkingsuitkering naar de indirect bestuurder leveren een persoonlijk ernstig verwijt op (Roelofsen). De bestuurder van de houdstervennootschap is op grond van artikel 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk.
Kernoverwegingen
“De rechtbank stelt het volgende voorop. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt - en dus of hij op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is - is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. De normen waaraan moet worden getoetst of een bestuurder aansprakelijk is staan in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, NJ 2006/659 (Ontvanger/Roelofsen). De Hoge Raad onderscheidt daarin twee categorieën: “Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295). Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de […]”
r.o. 4.3
“Daarnaast stelt de rechtbank voorop dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is (art. 2:11 BW). Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op art. 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW volgt echter wel dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van art. 2:11 BW (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd (Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).
Kan het bestuur worden tegengeworpen dat de aansprakelijkheidsverzekeraar (te) laat op de hoogte is gesteld?”
r.o. 4.4
“Over het verwijt van [eiser] dat [gedaagden] hebben bewerkstelligd dat Monkeysee de verzekeraar (te) laat op de hoogte heeft gesteld van de aansprakelijkstelling, voeren [gedaagden] aan dat in eerste instantie de aansprakelijkheidstelling niet serieus te nemen was en dat [eiser] niet meer heeft gereageerd toen Monkeysee op 28 oktober 2020 heeft aangegeven de aansprakelijkheid niet te aanvaarden.De rechtbank volgt [gedaagden] niet in dit verweer. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] aangegeven dat hij de aansprakelijkheidstelling wel serieus nam en dat hij zich direct voor rechtsbijstand heeft gewend tot DAS. DAS heeft ook namens Monkeysee gereageerd. Gelet op de reactie die namens [eiser] is verzonden aan DAS, had het op de weg gelegen van Monkeysee om meteen een melding te doen aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Van Krijger c.s. mocht worden verwacht dat zij als (indirect) bestuurder erop toezagen dat een dergelijke melding tijdig werd gedaan. De door [gedaagde sub 1] op zitting geschetste werkwijze, te weten het geregeld niet melden van schadegevallen bij een verzekeraar omdat deze verzekeraars “vaak een afwachtend standpunt innemen”, strookt niet met een werkwijze die van een zorgvuldig handelend hypotheek- en assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Daarnaast had het bestuur er wetenschap van dat [eiser] aansprakelijk was gehouden door de verkoper en zelfs al was veroordeeld tot betaling van de 10% boete, terwijl ook Monkeysee al bij verstek was […]”
r.o. 4.5