← Week 25

Rechtbank Oost-Brabant · 10 juni 2026

Artikel 2:248 BW: ziekte bestuurder geen andere oorzaak; geen matiging; bestuursverbod

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

De curator spreekt de twee bestuurders van een gefailleerde metaalbewerker aan op grond van artikel 2:248 BW wegens schending van de boekhoud- en deponeringsplicht. De bestuurders erkennen onbehoorlijke taakvervulling, maar voeren aan dat de langdurige ziekte van een van hen de oorzaak van het faillissement is en bepleiten subsidiair matiging. De rechtbank verwerpt beide verweren, oordeelt dat de bestuurders volledig aansprakelijk zijn voor het boedeltekort, wijst een voorschot van € 75.000 toe en legt beiden een bestuursverbod van vijf jaar op.

Kernoverwegingen

“Op grond van artikel 2: 248 lid 2 BW staat het onbehoorlijk bestuur van [gedaagden] vast en wordt dat vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. [gedaagden] kunnen dat wettelijk vermoeden ontkrachten door een andere, van buiten komende oorzaak van het faillissement aannemelijk te maken. [gedaagden] hebben daartoe gewezen op de negen maanden durende afwezigheid van [gedaagde 1] wegens hartklachten. De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagden] aangevoerde langdurige ziekte van [gedaagde 1] niet kan gelden als alternatieve oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] . [gedaagden] hebben aldus het uit artikel 2:248 lid 2 BW voortvloeiende vermoeden niet weten te ontkrachten, waardoor hun onbehoorlijk bestuur blijft gelden als belangrijke oorzaak van het faillissement van [gefailleerde] . De rechtbank legt hieronder uit waarop dat oordeel is gebaseerd.”

r.o. 5.3.1

“De gestelde arbeidsongeschiktheid van [gedaagde 1] is, zonder verdere toelichting, onvoldoende om te kwalificeren als belangrijke, van buiten komende, andere oorzaak van het faillissement. Ziekte op zichzelf hoeft immers niet tot een faillissement te leiden en ontslaat het bestuur niet van de verplichting om ter zake adequate voorzieningen te treffen. De rechtbank betrekt daarbij dat van de destijds 22-jarige [gedaagde 2] als bestuurder toch wel het nodige mocht worden verwacht, al dan niet met ondersteuning van de accountant van [gefailleerde] en [gedaagde 1] . Deze laatste heeft immers tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij vanuit het ziekenhuis weliswaar niet kon vertellen waar zijn zoon het nodige materiaal zou kunnen vinden, maar dat hij wel vanuit het ziekenhuis kon aansturen (“praten en communiceren”).Voor zover [gedaagde 1] zelf metaal bewerkte, is niet toegelicht dat en waarom dat niet door derden zou kunnen gebeuren. Verder geeft de gestelde hartaanval in januari 2023 geen verklaring voor het feit dat volgens het door Dexters q.q. overgelegde crediteurenoverzicht vanaf januari 2021 tot de datum van faillietverklaring stelselmatig geen loonheffing en BTW zijn betaald. [gedaagden] hebben tijdens de mondelinge behandeling als reden daarvoor in algemene termen verwezen naar “corona”, maar wat de impact daarvan was op de activiteiten van [gefailleerde] (metaalbewerking) is niet toegelicht. Dexters q.q. heeft er daarbij op gewezen dat de “coronamaatregelen” […]”

r.o. 5.3.2

“Artikel 2:248 lid 4 BW bepaalt: “De rechter kan het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de aard en de ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, de andere oorzaken van het faillissement, alsmede de wijze waarop dit is afgewikkeld. De rechter kan voorts het bedrag van de aansprakelijkheid van een afzonderlijke bestuurder verminderen indien hem dit bovenmatig voorkomt, gelet op de tijd gedurende welke die bestuurder als zodanig in functie is geweest in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling plaats vond.” Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen omstandigheden aangevoerd die moeten leiden tot matiging van de schadevergoeding en zijn [gedaagden] volledig aansprakelijk voor het boedeltekort in het faillissement van [gefailleerde] . De rechtbank werkt hieronder uit waarop dat oordeel is gebaseerd.”

r.o. 5.3.3

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:4089
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
10 juni 2026
Datum publicatie
16 juni 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:10 BW, 2:394 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 25 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.