Rechtbank Oost-Brabant · 28 oktober 2026
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurders na uitholling vastgoedvennootschap door overdracht aan familie
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een voormalig vennoot in een cv kreeg bij uittreding een geldlening en meerwaarderegeling van een vastgoedvennootschap, die het vastgoed daarna aan een familievennootschap van de kinderen van de bestuurder leverde. De rechtbank acht een mondelinge afspraak bewezen dat overdracht aan familie niet als vervreemding telt. De bestuurders zijn persoonlijk aansprakelijk wegens een persoonlijk ernstig verwijt, omdat zij welbewust de vennootschap hebben uitgehold. Ook de familievennootschap is aansprakelijk wegens profiteren van wanprestatie en onrechtmatig handelen.
Kernoverweging
“De rechtbank beoordeelt hieronder de vorderingen van [eiser] .
( i) De vordering voor een verklaring voor recht is gelet op het voorgaande gegrond wat betreft de uitleg van de afspraken en de tekortkoming.
ii) De vordering voor een verklaring voor recht over de gebondenheid aan de meerwaarderegeling en de vordering tot nakoming van de meerwaarderegeling zijn ook gegrond. De rechtbank begrijpt dat [eiser] de levering/overdracht aan [gedaagde 4] niet wil aantasten; niets is gesteld over gronden voor nietigheid of vernietigbaarheid of over wilsgebreken. Die levering/overdracht blijft daarom in stand. Dit laat echter onverlet dat [gedaagde 1] gebonden is aan de meerwaarderegeling en deze regeling moet nakomen (al moet zij wellicht de middelen bij groepsmaatschappijen ophalen). [gedaagden] meent dat de regeling ná de levering/overdracht aan [gedaagde 4] is uitgewerkt en niet meer geldt, maar de rechtbank verwerpt dit standpunt op grond van al het voorgaande. De rechtbank wijst de vordering wat betreft een dwangsom af omdat de nakoming hier een geldvordering betreft en omdat [gedaagde 1] volgens [gedaagden] geen middelen heeft, zodat nakoming afhankelijk zal zijn van een verstrekking van middelen door de overige gedaagden. iii) De vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, is gelet op het voorgaande gegrond en zal hierna worden toegewezen tegen alle gedaagden. Het gaat hierbij om de gederfde rente (geldlening) en de eventuele gederfde meerwaarde, die [eiser] bij […]”
r.o. 4.7