← Week 19

Rechtbank Overijssel · 21 april 2026

Kort geding ontvlechting vof: opheffing beslag en uitschrijving vennoot afgewezen

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

In een kort geding over de ontvlechting van een ontbonden maar nog niet vereffende vof vorderen twee vennoten opheffing van het conservatoire beslag van een medevennoot, uitschrijving van hem als vennoot en afgifte van bedrijfsmiddelen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de derde vennoot niet hoeft te worden opgeroepen en dat het beslag niet summierlijk ondeugdelijk of onnodig is. Uitschrijving vóór vereffening van de vof is onvoldoende onderbouwd. Alle vorderingen worden afgewezen.

Kernoverwegingen

“De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om artikel 118 Rv toe te passen en eisers in de gelegenheid te stellen om de moeder op te roepen. Daarvoor is het volgende redengevend. Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaken, waarop beslag is gelegd (juridisch) eigendom zijn van [eiser 1]. Dat de onroerende zaken aan de [adres 2] economisch zijn ingebracht in de vof maakt niet dat deze onroerende zaken zijn gaan beho-ren tot de gemeenschap ex artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Wat betreft het gevorderde betreffende de kantoorunits is tussen partijen niet in geschil dat deze eigendom zijn van [gedaagde]. Dit betekent dat deze vorderingen enkel zien op de rechtsverhouding die eisers hebben met [gedaagde] en los kan worden gezien van de rechtsverhouding die eisers hebben met de moeder. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningen-rechter niet worden gezegd dat met betrekking tot deze vorderingen sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding. Verder is niet in geschil dat [gedaagde] sleutels van de trekker en de verreiker onder zich heeft, zodat hij alleen bij machte is om deze aan eisers af te geven. [gedaagde] heeft het ook in zijn macht om zich te laten uitschrijven bij de KvK. De daarop betrekking hebbende vorderingen van eisers zien dus op feitelijke handelingen die [gedaagde] alleen kan uitvoeren.”

r.o. 5.3

“Het betoog van eisers dat het beslag moet worden opgeheven omdat de aard van het beslag onjuist is vermeld in het beslagrekest, aangezien daarin wordt gesuggereerd dat het gaat om een conservatoir verhaalsbeslag, terwijl [gedaagde] een conservatoir beslag ter bewaring van recht op afgifte of levering te leggen (artikel 730 Rv) en dan specifiek in de vorm van deelgenotenbeslag (artikel 733 Rv), beoogde, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat het gevorderde door [gedaagde] in hoger beroep er (mede) toe strekt dat hij het perceel aan de [adres 2] krijgt toebedeeld, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen vordering is ingesteld die strekt tot veroordeling van een geldvordering. In het hoger beroep staat immers de ontvlechting van de vof centraal. Tussen partijen is niet in geschil dat de economische eigendom van het perceel aan de [adres 2] is ingebracht in de vof, zodat, zoals ook van de zijde van eisers is bevestigd tijdens de mondelinge behandeling, de waarde daarvan tot het bedrijfsvermogen van de vof is gaan behoren en [gedaagde] als vennoot (in ieder geval) gerechtigd is tot een aandeel in de waardevermeerdering daarvan vanaf het moment van aankoop tot het moment van de ontbinding van de vof. In die zin speelt de [adres 2] wel een rol bij de (complexe) afwikkeling van de vof. Uit de memorie van grieven en het beslagrekest blijkt voldoende dat [gedaagde] na de ontbinding van de vof en de vereffening van het vermogen van de vof en een mogelijke vermogensoverdracht van de […]”

r.o. 5.9

“Tot slot leidt ook een belangenafweging ertoe dat het beslag gehandhaafd blijft. Alle belangen van partijen afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij handhaving van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van eisers bij opheffing daarvan. De omstandigheid dat [eiser 1] onroerende zaken aan de [adres 2] wil verkopen om met de moeder en [gedaagde] af te rekenen leidt er immers toe dat het [gedaagde] feitelijk reeds onmogelijk zal worden gemaakt om zich aan de [adres 2] te vestigen, terwijl dat wel de wens is van [gedaagde] en dat ook (mede) de inzet vormt van het hoger beroep. [eiser 1] is zich ervan bewust dat er een afrekening/verrekening moet plaatsvinden. Daarbij heeft hij kennelijk een afrekening/verrekening in geld voor ogen. Bij de huidige stand van zaken valt vooralsnog niet in te zien waarom dit ook niet (gedeeltelijk) in natura (in de vorm van het overdragen van de eigendom van het perceel aan de [adres 2] aan [gedaagde]) zou kunnen plaatsvinden.”

r.o. 5.11

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:2440
Instantie
Rechtbank Overijssel
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
21 april 2026
Datum publicatie
7 mei 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Wetsartikelen
3:166 BW
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 19 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.