Rechtbank Overijssel · 6 mei 2026
Eigen aangifte faillissement afgewezen wegens misbruik van bevoegdheid; turboliquidatie als alternatief
- Ontbinding, vereffening en turboliquidatie
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een vennootschap vraagt haar eigen faillietverklaring aan, maar de rechtbank wijst dit af omdat de kosten van afvoer van chemisch afval de mogelijke baten waarschijnlijk ruimschoots overtreffen en de aangifte daarom misbruik van bevoegdheid is. De rechtbank noemt daarbij in het voorbijgaan dat de bestuurder de activa zelf te gelde had kunnen maken, de opbrengst had kunnen verdelen en daarna de weg van artikel 2:19 BW (turboliquidatie) had kunnen bewandelen.
Kernoverweging
“Uit de eigen aangifte van Hardchroom en uit de toelichting van de bestuurder ter zitting is gebleken dat Hardchroom door de kantonrechter is veroordeeld tot ontruiming van de door haar gehuurde bedrijfsruimte. Voorts is Hardchroom door de kantonrechter onder meer veroordeeld om de chroombaden die in de bedrijfsruimte staan leeg te laten maken en de chroomhoudende en andere gevaarlijke afvalstoffen te laten afvoeren. De chroombaden zijn tot op heden nog niet door Hardchroom leeggemaakt en de chroomhoudende en andere gevaarlijke stoffen zijn tot op heden niet door Hardchroom afgevoerd dan wel zij heeft deze nog niet af laten voeren. De kosten van het leegmaken en afvoeren van bedoelde gevaarlijke stoffen worden door de bestuurder van Hardchroom geschat op een bedrag van € 10.000,00 maar het kan ook weleens oplopen tot een bedrag van ongeveer € 200.000,00. Een nadere onderbouwing van deze bedragen is ter zitting niet gegeven. Hardchroom zou volgens opgave van de bestuurder wel beschikken over baten. Deze baten bestaan uit een mogelijke opbrengst van machines en die opbrengst zou naar inschatting van de bestuurder ongeveer € 15.000,00 kunnen bedragen. Het gaat om volgens de bestuurder om oudere machines en een nadere onderbouwing van de waarde is ter zitting niet verstrekt.
Het stelsel van de Faillissementswet beoogt verdeling door de curator van het vermogen van de schuldenaar onder diens gezamenlijke schuldeisers (HR 22 juli 1988, ECLI:NL:HR 1988:ZC883). Naar aanleiding van […]”
r.o. 2.3