Rechtbank Overijssel · 17 juni 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW zorgonderneming: administratieplicht geschonden, bestuursverbod
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de bestuurders van een failliete zorgonderneming aan op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank oordeelt dat de administratieplicht (artikel 2:10 BW) is geschonden en de jaarrekening over 2022 niet is gedeponeerd (artikel 2:394 BW). Zij neemt aan dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is, omdat de opdrachtgevers de raamovereenkomst terecht ontbonden na een rechtmatigheidsonderzoek. De rechtbank wijst de vorderingen toe, inclusief een voorschot van 1.000.000 euro, en legt een bestuursverbod van vijf jaar op.
Kernoverwegingen
“In dit geval speelt mee dat een belangrijk deel van de opdrachtgevers (de Zorgregio) specifieke afspraken heeft gemaakt met [bedrijf] over de administratie. Dit ter verantwoording van de door [bedrijf] gedeclareerde zorggelden, omdat de zorg werd gefinancierd met gemeenschapsgeld. In de raamovereenkomst met de Zorgregio en daarbij behorende Algemene Voorwaarden zijn in dat kader bepalingen opgenomen over de wijze van administreren. In artikel 2.4 lid 5 van de voorwaarden is opgenomen dat ‘inkomsten, uitgaven, verplichtingen, cliëntdossiers en verantwoording te herleiden zijn naar bron en bestemming’ (zie hiervoor onder 3.5.3) en in artikel 4.2.4 is opgenomen dat de administratie navolgbaar en controleerbaar moet zijn (zie hiervoor onder 3.5.4). Hieruit volgt dat gelet op de werkzaamheden van deze onderneming herleidbaarheid en navolgbaarheid van de administratie belangrijk zijn voor deze onderneming.”
r.o. 5.9
“[gedaagde 2] heeft hiermee feitelijk toegelicht waarom zij tot deze werkwijze is gekomen, maar die toelichting is niet voldoende om aan te nemen dat de administratie voldeed. De rechtbank begrijpt deze toelichting namens de bestuurders zo dat de opdrachtgevers en de curator de gedeclareerde uren op juistheid kunnen controleren door de uren te vergelijken met de uren in de zorgrapportages, omdat in de zorgrapportages is te zien welke zorguren daadwerkelijk zijn geleverd. De verklaringen van de bestuurders hebben daarmee geen duidelijk antwoord gegeven op de vraag hoe de opdrachtgever - en in een later stadium de curator - zonder kennis te nemen van privacygevoelige zorgrapportages kon toetsen op welke grond bepaalde zorgverleners financieel aan een zorgontvanger zijn gekoppeld. Naar het oordeel van de rechtbank is zodoende niet gebleken dat de administratie werd bijgehouden op een transparante wijze, bijvoorbeeld volgens een vaste en voor iedereen kenbare werkinstructie. Hieruit volgt dat de rechten en verplichtingen van [bedrijf] eerst kunnen worden gekend en op juistheid kunnen worden gecontroleerd na onderzoek van de zorgrapportages. Dat is niet te verenigen met het vereiste dat uit de boeken de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon te allen tijde kenbaar moeten zijn. Daarmee voldoet de financiële administratie niet aan de vereisten. Daar komt nog bij dat de curator gemotiveerd heeft toegelicht dat het in het kader van transparantie richting opdrachtgevers niet […]”
r.o. 5.14
“Ten aanzien van 2022 is niet voldaan aan de verplichting uit artikel 2:394 BW nu die jaarrekening in het geheel niet is gedeponeerd bij het handelsregister. Niet aangenomen kan worden dat dit een onbelangrijk verzuim betreft. De jaarrekening over 2023 moest gedeponeerd worden uiterlijk 31 december 2024. Dit was na de datum van het faillissement, zodat ten aanzien van de jaarrekening over 2023 niet kan worden vastgesteld dat de bestuurders de jaarrekening te laat hebben gedeponeerd. De rechtbank gaat er vanuit dat de bestuurders ten aanzien van de jaarrekening over 2022 niet hebben voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW.
Onbehoorlijk bestuur en oorzaak faillissement”
r.o. 5.22