Rechtbank Overijssel · 1 juli 2026
Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder-adviseur voor beroepsfouten; geen causaal verband met schade
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een vennootschap sprak haar belastingadviseur en diens bedrijf aan wegens ondeugdelijk advies over een kwijtingsbepaling in een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat de adviseur, tevens enig bestuurder van het adviesbureau, als feitelijk uitvoerder persoonlijk onrechtmatig heeft gehandeld door de grenzen van zijn deskundigheid niet te bewaken en door stellige uitspraken te doen over een juridische vordering. Zij verklaart dit voor recht, maar wijst de schadevergoeding af omdat het causaal verband niet is komen vast te staan.
Kernoverwegingen
“De rechtbank stelt in dat verband het volgende voorop. Indien een vennootschap als opdrachtnemer jegens een opdrachtgever haar (contractuele of wettelijke) verplichtingen niet nakomt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de door de opdrachtgever geleden schade. Onder omstandigheden kan echter ook degene die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd persoonlijk aansprakelijk zijn. Dat is in de eerste plaats het geval indien – kort gezegd – de opdracht is verleend met het oog op specifiek deze persoon (artikel 7:404 BW). Deze persoon is dan naast de opdrachtnemer jegens de opdrachtgever gebonden en hoofdelijk aansprakelijk. Oveon heeft niet gesteld dat zij [gedaagde 1] de opdracht heeft verleend met het oog op specifiek [gedaagde 2]. Op deze grondslag kunnen de vorderingen tegen [gedaagde 2] dus sowieso niet worden toegewezen. Daarnaast kan degene die de opdracht feitelijk heeft uitgevoerd persoonlijk aansprakelijk zijn indien hij heeft gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm. Hiervoor gelden de in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gestelde eisen.
Beoordelingsmaatstaf: de zorgplicht van een beroepsbeoefenaar”
r.o. 4.2
“De rechtbank volgt Oveon wel in haar subsidiaire stelling. Daartoe wordt het volgende overwogen. Van iedere beroepsbeoefenaar – en dus ook van [gedaagde 2] – mag worden verwacht dat hij zich bewust is van de grenzen van zijn eigen deskundigheid en onderkent wanneer van hem iets wordt gevraagd wat er toe kan leiden dat hij zich buiten deze grenzen moet begeven. In een dergelijk geval zal hij zijn opdrachtgever nadrukkelijk moeten uitleggen waartoe zijn deskundigheid zich beperkt en deze opdrachtgever moeten adviseren om zich elders te laten voorlichten over de aspecten die daarbuiten vallen. Wat dit betreft heeft [gedaagde 2] niet gehandeld zoals van hem mocht worden verwacht en dus een beroepsfout gemaakt. Toen [naam 1] – als de op dat moment enig overgebleven statutair bestuurder van Oveon – hem vroeg om mee te lezen met de vaststellingsovereenkomst, had [gedaagde 2] zich moeten realiseren dat daarin ook niet-fiscale kwesties zouden zijn geregeld. Hij had [naam 1] vervolgens moeten waarschuwen dat hij niet over de noodzakelijke deskundigheid beschikte om die inhoudelijk te beoordelen. Dit heeft [gedaagde 2] echter nagelaten. Hij heeft de vaststellingsovereenkomst zonder voorbehoud in het geheel meegelezen en daar her en der opmerkingen bij geplaatst als hem iets opviel. Dat laatste heeft hij ook gedaan toen hij stuitte op de toegevoegde uitzondering op de kwijting uit artikel 6, wat ertoe leidde dat deze toevoeging weer werd geschrapt. [gedaagde 2] dácht toen naar eigen […]”
r.o. 4.10
“Als feitelijk uitvoerder van de opdracht heeft [gedaagde 2] – door bovengenoemde beroepsfouten te maken – zijn professionele zorgplicht geschonden. [gedaagde 2] heeft daarmee onrechtmatig – want: in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm – gehandeld jegens Oveon. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot [gedaagde 2] daarom ook toewijzen, in zoverre dat zij voor recht zal verklaren dat [gedaagde 2] onrechtmatig jegens Oveon heeft gehandeld, zoals nader omschreven onder rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.13 van dit vonnis.
Geen causaal verband tussen de beroepsfouten en de door Oveon gestelde schade”
r.o. 4.15