← Week 35

Rechtbank Overijssel · 19 augustus 2026

Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW toegewezen na schending administratie- en deponeringsplicht

  • Aansprakelijkheid toegewezen
  • Bestuurdersaansprakelijkheid
  • Jaarrekening
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Een curator spreekt de twee bestuurders van een gefailleerde vennootschap aan voor het faillissementstekort op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank oordeelt dat de administratieplicht en de deponeringsplicht zijn geschonden en dat de bestuurders het vermoeden van een belangrijke oorzaak van het faillissement niet hebben ontzenuwd. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk en moeten een voorschot van 700.000 euro betalen.

Kernoverwegingen

“In geval van schending van artikel 2:10 en/of 2:394 BW dient de bestuurder aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt hem door de curator verweten dat hij heeft nagelaten om het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten en/of omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dat nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Naast van buiten komende oorzaken kan ook handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert - en waarvan dus niet gezegd kan worden dat een redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld - voldoende zijn voor ontzenuwing van het in artikel 2:248, tweede lid BW bedoelde vermoeden. Dat wordt niet anders doordat artikel 2:248, tweede lid BW bepaalt dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld als het niet heeft voldaan aan zijn verplichting uit artikel 2:10 BW en/of artikel 2:394 BW (Hoge Raad 9 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099).”

r.o. 4.1.2

“De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de administratieplicht hebben geschonden.

Uit de stukken blijkt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich heel goed realiseerden dat de voorraad aanzienlijk minder waard was dan het bedrag waarvoor deze in de boeken stond. Zo heeft [gedaagde 2] op 11 oktober 2019 in zijn brief aan de belastingdienst geschreven dat er op dat moment nog € 250.000,- aan voorraad lag uit 2016 (zie 2.9.), wat betekent dat een substantieel deel al circa drie jaar onverkocht was gebleven en als incourant moest worden beschouwd. Desalniettemin stond in de jaarrekening 2019 dat er geen aanleiding werd gezien ten aanzien van de voorraad een voorziening te treffen. Verder blijkt uit het rapport van TWA dat de marktwaarde van de voorraad in augustus 2002 op € 435.000,- gesteld kon worden (zie 2.14.), terwijl de waarde van de voorraad eind 2022 volgens de auditfiles € 984.535,- zou bedragen (zie 2.17.). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in de jaarstukken, ook in de hier relevante periode, de voorraad steeds voor een veel te hoog bedrag in de balans is opgenomen en dat ter zake ten onrechte geen voorziening wegens incourantheid is getroffen. Aldus is een misleidende voorstelling gegeven van de waarde van de activa en, daarmee, van het eigen vermogen van Serenotex.

Voorts is de lening van [bedrijf 3] B.V. ad € 700.000,- in de jaarrekeningen van 2019, 2020 en 2021 ten onrechte in de balans opgenomen als achtergestelde lening. Deze lening […]”

r.o. 4.4.2

“De rechtbank is ook van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de deponerings-plicht hebben geschonden.

Ingevolge artikel 2:394, eerste lid BW is een rechtspersoon verplicht tot openbaarmaking van de jaarrekening binnen acht dagen na vaststelling. Uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar (de hier relevante termijn) moet de rechtspersoon de jaarrekening op de voorgeschreven wijze openbaar hebben gemaakt (derde lid).

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betwist dat de jaarrekening over 2019 niet tijdig is gedeponeerd. Deze jaarrekening had weliswaar uiterlijk op 31 december 2020 gedeponeerd moeten worden en is pas op 20 mei 2021 gedeponeerd, maar zij beroepen zich op artikel 22 van de Tijdelijke wet Covid-19 Justitie en Veiligheid. Dit artikel bepaalt dat een verzuim om te voldoen aan tijdige publicatie van de jaarrekening niet in aanmerking wordt genomen, indien dat verzuim te wijten is aan de uitbraak van Covid-19. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben echter naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd dat het niet tijdig deponeren van de jaarrekening over 2019 enig verband houdt met de uitbraak van Covid-19. Verder is gesteld noch gebleken dat hier sprake is van een onbelangrijk verzuim (artikel 2:248, tweede lid BW). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deponeringsplicht is geschonden.

kennelijk onbehoorlijk bestuur

4.6,1. Gelet op de schending van de administratieplicht en de deponeringsplicht, in samenhang met artikel 2:248, tweede lid BW, staat […]”

r.o. 4.5

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:5191
Instantie
Rechtbank Overijssel
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
19 augustus 2026
Datum publicatie
26 augustus 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:248 BW, 2:10 BW, 2:394 BW
Thema
Bestuurdersaansprakelijkheid, Jaarrekening
Aangesproken
bestuurder
Uitkomst aansprakelijkheid
toegewezen
Weekoverzicht
Week 35 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.