Rechtbank Overijssel · 1 september 2026
Hoevepacht: ontbinding afgewezen; inbreng gepachte in maatschap en persoonlijk gebruik
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
- Zijdelings
Samenvatting
De verpachter vordert ontbinding van een hoevepachtovereenkomst, omdat de grond niet bedrijfsmatig of niet persoonlijk zou worden gebruikt, en betaling van achterstallige pacht. De pachtkamer wijst alles af. Voor het persoonlijk gebruik overweegt zij dat inbreng van het gepachte in een maatschap op zichzelf niet in strijd is met die verplichting en dat de afgestane zeggenschap bepalend is. Dat de pachter feitelijk geen zeggenschap meer had, was onvoldoende onderbouwd.
Kernoverwegingen
“Op grond van artikel 7:347 BW is de pachter verplicht zich ten aanzien van het gebruik van het gepachte als goed pachter te gedragen. Volgens vaste rechtspraak is de pachter gehouden tot persoonlijk gebruik van het gepachte. Dit houdt in dat hij de dagelijkse leiding over de exploitatie moet hebben. De enkele inbreng van het gepachte in een maatschap levert nog geen strijd op met de verplichting tot persoonlijk gebruik. Maatgevend is welke mate van zeggenschap over de exploitatie de pachter aan zijn medevennoten heeft afgestaan.”
r.o. 5.9
“Het staat een pachter vrij om het gebruik van de door hem gepachte gronden in te brengen in een maatschap. Beslissend is of [medepachter] de zeggenschap ook feitelijk aan [gedaagde 1] heeft afgestaan. Of een pachter feitelijk het gepachte nog zelf exploiteert, moet beoordeeld worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling of daarvan sprake is zijn de feitelijke betrokkenheid van pachter bij de beslissingen over de exploitatie van het gepachte en bij dagelijkse werkzaamheden in het bedrijf relevant, maar kunnen ook relevant zijn de aard van een aangegaan samenwerkingsverband (is er bij voorbeeld sprake van een familievennootschap of een meer commercieel arrangement met een niet familielid), de zeggenschap in dit samenwerkingsverband en de mate waarin het exploitatieresultaat voor rekening en risico van de pachter is.”
r.o. 5.10
“[eiseres] stelt dat [medepachter] het gepachte niet persoonlijk heeft gebruikt, omdat hij het gepachte heeft ondergebracht in een maatschap waarin [medepachter] en [gedaagde 1] beide de helft van de zeggenschap hebben, zonder een voorbehoud te maken in de maatschapsakte. Nu zij echter naast voormelde opmerking geen handen en voeten aan haar stelling heeft gegeven waaruit volgt dat [medepachter] het gepachte feitelijk niet meer zelf exploiteerde, gaat de pachtkamer eraan voorbij.
De pachtprijs”
r.o. 5.11