Rechtbank Overijssel · 2 september 2026
Curator kan geen nakoming van 403-verklaring vorderen namens schuldeisers
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Overig Boek 2
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator vorderde van de moedervennootschap van een gefailleerde dochter nakoming van een gestelde 403-verklaring (artikel 2:403 BW), primair voor het boedeltekort en subsidiair voor het salaris van de curator. De rechtbank wijst de vorderingen af: de verklaring is niet overgelegd, zodat de stelplicht niet is vervuld. Bovendien strekt de bevoegdheid van een curator niet zo ver dat hij namens de gezamenlijke schuldeisers nakoming van een 403-verklaring kan vorderen, en valt het curatorsalaris niet onder zo'n verklaring. De vrijwaringsvordering tegen de voormalige aandeelhouders vervalt daarmee.
Kernoverwegingen
“De curator beroept zich op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde 403-verklaring van de zijde van [gedaagde] . Stelplicht en bewijslast liggen op dit punt dus bij de curator. De rechtbank constateert dat een daadwerkelijke 403-verklaring van [gedaagde] niet door de curator in het geding is gebracht. De curator heeft op dit punt dus niet aan zijn stelplicht voldaan, mede in het licht van het feit dat [gedaagde] aanvoert dat zij – in ieder geval – niet bekend is met de inhoud van de gestelde 403-verklaring.”
r.o. 6.4
“Het enkele feit dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel informatie staat zoals omschreven in rechtsoverweging 4.4 van dit vonnis, is voor de rechtbank onvoldoende om in bewijsrechtelijke zin anders te oordelen. Naar aanleiding van louter de informatie uit de handelsregister kan de rechtbank niet, ook niet voorshands, vaststellen dát in 1998 een 403-verklaring is afgegeven door [gedaagde] , laat staan een 403-verklaring met een inhoud zoals in deze procedure door de curator wordt verdedigd. De rechtbank weegt hierbij mee dat het antwoord op de vraag wat een 403-verklaring in een concreet geval aan rechtsgevolgen meebrengt, moet worden vastgesteld door uitleg van de 403-verklaring. De daadwerkelijke beschikbaarheid van de gestelde 403-verklaring is dus essentieel om de rechtspositie van de curator en [gedaagde] in dit geval goed te kunnen bepalen.”
r.o. 6.5
“De vordering die de curator in deze zaak tegen [gedaagde] heeft ingesteld, kan echter niet worden gekwalificeerd als een Peeters/Gatzen-vordering. De curator heeft niets gesteld over onrechtmatig handelen van [bedrijf 1] ten opzichte van schuldeisers, waarbij [gedaagde] zou zijn betrokken. De curator stelt daarentegen dat hij namens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] nakoming verlangt van een (eenzijdige ongerichte) rechtshandeling die door [gedaagde] is afgegeven. Dat is iets fundamenteel anders. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de reikwijdte van bevoegdheden van een curator in een faillissement niet zo ver dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers nakoming van een 403-verklaring kan vragen. Nog daargelaten dat gemotiveerd wordt weersproken - en niet is komen vast te staan - dat de curator door het instellen van deze vordering voor alle schuldeisers optreedt, wat wel een vereiste is voor een dergelijke vordering. Immers niet alle bij de curator ingediende vorderingen kwalificeren als vorderingen die gedekt worden door een 403-verklaring. Fiscale vorderingen en vorderingen uit onrechtmatige daad zijn vorderingen die door de wet ontstaan, niet door een verbintenis uit overeenkomst. Niet is weersproken dat de belastingdienst een van de schuldeisers is.”
r.o. 6.9