Rechtbank Overijssel · 22 september 2026
Aansprakelijkheid van maten van een maatschap voor gelijke delen
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
Een veterinaire dienstverlener vordert betaling van een factuur die zij had gecrediteerd onder de voorwaarde van tijdige betaling van andere facturen. Die voorwaarde is niet vervuld, dus de kantonrechter wijst de vordering toe. De kantonrechter oordeelt dat de maatschap zelf aansprakelijk is met haar afgescheiden vermogen en dat de maten op grond van artikel 7A:1680 BW ieder voor een gelijk deel aansprakelijk zijn. De maatschap en de maten worden hoofdelijk veroordeeld, waarbij elke maat voor een derde deel kan worden aangesproken.
Kernoverwegingen
“[eiser] heeft gevorderd dat alle gedaagden (de [gedaagden] en haar drie vennoten c.q. maten) hoofdelijk worden veroordeeld. [eiser] heeft gecontracteerd met een maatschap. Als hoofdregel geldt dat de maatschap, hoewel die geen rechtspersoonlijkheid heeft, allereerst zelf aansprakelijk is. [eiser] kan zich dus verhalen op het afgescheiden vermogen van de [gedaagden]. Daarnaast zijn de afzonderlijke maten aansprakelijk. Volgens de wet(artikel 7A:1680 BW) zijn zij jegens de wederpartij aansprakelijk voor gelijke som en gelijke delen. Dit betekent dat [eiser] de keuze heeft: ofwel zij verhaalt haar vordering op ieder van de maten (ieder voor 1/3e deel), ofwel zij verhaalt haar vordering op het afgescheiden vermogen van de [gedaagden]. De [gedaagden] is daarmee hoofdelijk verbonden met de gezamenlijke maten. Dat betekent dat voor zover de [gedaagden] de vorderingen heeft voldaan, de maten dat niet meer hoeven te doen en dat ieder van de maten individueel slechts voor 1/3e deel kan worden aangesproken.
Conclusie”
r.o. 5.9
“De [gedaagden] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.241,15, bestaande uit:
€ 1.000,00 aan de onbetaalde factuur, € 91,15 aan verschenen wettelijke rente tot en met 5 mei 2026, € 150,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 1.000,00 te rekenen vanaf 6 mei 2026.
De maten zullen worden veroordeeld tot betaling van hun deel als hierboven in 5.9. is bepaald.
Proceskosten”
r.o. 5.10