Rechtbank Overijssel · 15 oktober 2026
Aansprakelijkheid uitgetreden vennoot vof voor huurachterstand bedrijfsruimte
- Personenvennootschappen
- Personenvennootschappen
Samenvatting
In kort geding vordert een verhuurder ontruiming en betaling van een huurachterstand van bijna acht maanden van een vennootschap onder firma, haar (voormalig) vennoten en de feitelijke gebruiker van de bedrijfsruimte. De kantonrechter oordeelt dat uitschrijving van de vof uit het handelsregister de huurders niet bevrijdt en dat de aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot doorloopt omdat hij zijn uittreding niet bij aangetekend schrijven aan de verhuurder had gemeld. De vorderingen worden toegewezen.
Kernoverwegingen
“[eiser 1] stelt dat de huurachterstand tot en met augustus 2026 € 29.814,72 is. Het enkele feit dat een vennootschap onder firma uit een handelsregister wordt uitgeschreven en een andere ondernemer zich op hetzelfde adres vestigt, brengt niet mee dat de oorspronkelijke huurders daardoor van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst worden bevrijd. Van contractsovername is geen sprake. Daarvoor is ingevolge artikel 6:159 BW medewerking van [eiser 1] vereist. Die medewerking is niet verleend. Een formeel verzoek tot indeplaatstelling heeft evenmin plaatsgevonden. Dit alles is door gedaagden niet weersproken.”
r.o. 5.9
“Ten opzichte van [gedaagde 1] geldt daarnaast dat ondanks zijn uitreden als vennoot van Restaurant Ugarit, zijn aansprakelijkheid voor deze schuld doorloopt. Ingevolge artikel 11.2 eindigt de aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot na verloop van één jaar na de dag van mededeling van de uittreding bij aangetekend schrijven aan de verhuurder, van de inschrijving der uittreding in het handelsregister. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] dit bij aangetekend schrijven aan [eiser 1] heeft gemeld. De kantonrechter volgt [eiser 1] dan ook in zijn stelling dat hoewel hij geen vennoot meer is, de aansprakelijkheid om die reden nog wel doorloopt. De overige gedaagden hebben niet betwist dat zij contractueel dan wel op grond van artikel 18 WvK als feitelijke gebruikers gehouden zijn tot het betalen van de huurpenningen. Gedaagden hebben de hoogte van de huurachterstand ook niet betwist. Gedaagden worden daarom veroordeeld om de huurachterstand aan [eiser 1] te betalen. De vordering tot betaling van de huur tot aan de datum van het vonnis zal eveneens worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser 1] toegelicht dat dit een bedrag van € 5.498,14 per maand inclusief btw is.
De contractuele boete”
r.o. 5.10