Rechtbank Overijssel · 21 oktober 2026
Kennelijk onbehoorlijk bestuur: curator wijst faillissementstekort-vordering tegen (indirect) bestuurder af
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een curator houdt de bestuurder van een gefailleerde bv en de bestuurder van die bestuurder aansprakelijk voor het faillissementstekort wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur (artikel 2:248 BW, artikel 6:162 BW en artikel 2:9 BW). De rechtbank oordeelt dat de curator onvoldoende feiten stelt: het starten van een onderneming met kleine marges en de aankoop en huur van schepen zijn geen kennelijk onbehoorlijk bestuur. De maatstaf bij artikel 6:162 BW en artikel 2:9 BW is niet anders. Ook een vordering over een gestelde koopovereenkomst voor twee schepen wordt afgewezen.
Kernoverwegingen
“In de jurisprudentie is uitgemaakt dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur slechts kan worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – zo zou hebben gehandeld als het bestuur in kwestie heeft gedaan. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis dat de bestuurder(s) moet(en) hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers van de gefailleerde vennootschap zullen worden benadeeld.”
r.o. 5.5
“Naar het oordeel van de rechtbank heeft de curator onvoldoende feiten gesteld die – indien juist – zouden kunnen leiden tot het oordeel dat het bestuur van Comitec Sailing zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Voor zover de curator het bestuur van Comitec Sailing verwijt dat zij de onderneming Comitec Sailing überhaupt zijn gestart, is dat ten onrechte. Het moet altijd mogelijk zijn om een onderneming te starten, ook als dat in een branche is waar de winstmarges klein zijn en waar externe financiering op voorhand moeilijk kan worden verkregen. Dat zijn geen relevante criteria voor de beantwoording van de vraag of het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Hetzelfde geldt voor de verdeling van de geldelijke inbreng in de onderneming tussen de aandeelhouders. De verdeling van de geldelijke inbreng zegt op zichzelf niets over de wijze waarop het bestuur is gevoerd.”
r.o. 5.9
“Waar het om gaat is dat de curator aantoont dat het bestuur – lopende de onderneming – keuzes heeft gemaakt die geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zou hebben gemaakt, met de (objectieve) wetenschap dat schuldeisers zouden worden benadeeld. Dat heeft de curator niet gedaan; hij heeft geen feiten genoemd die zouden kunnen kwalificeren als een onbehoorlijke taakvervulling. Het kan het bestuur van Comitec Sailing bezwaarlijk worden verweten dat zij in november 2022 overgegaan is tot de aankoop van de ‘ [scheepsnaam 1] ’ en in november 2023 tot de huur van de ‘ [scheepsnaam 3] ’. Zeilschepen waren immers het middel waarmee Comitec Sailing omzet zou kunnen genereren. Die aankoop- en huurbeslissing zijn bovendien genomen vóór het moment dat van overheidswege de keuringseisen voor schepen uit de zogeheten bruine vloot werden aangescherpt. Dat er nog grote investeringen nodig waren om de ‘ [scheepsnaam 1] ’ in de vaart te kunnen brengen, maakt dat niet anders. Gedaagden zijn geen verplichtingen aangegaan die zij op dat moment niet konden betalen. De rechtbank weegt hierbij mee dat de vraag of het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld, moet worden beoordeeld naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde.”
r.o. 5.10