Rechtbank Rotterdam · 2 september 2026
Rechtsopvolging door splitsing bij inroepen huur- en beheersbeding hypotheek
- Fusie en splitsing
- Boek 2 BW
- Zijdelings
Samenvatting
Een bank verzoekt toestemming om het huurbeding, beheersbeding en ontruimingsbeding uit een hypotheekakte in te roepen. De hypotheekgevers betwisten dat zij door een splitsing in 2010 de rechtsopvolger is van de oorspronkelijke geldverstrekker. De voorzieningenrechter gaat binnen deze beknopte procedure uit van haar positie als hypotheekhouder, mede vanwege de feitelijke gang van zaken sinds de splitsing, en wijst de verzoeken grotendeels toe. Boek 2 speelt alleen een rol in de zijdelingse verwijzing naar de splitsingsstukken van artikel 2:334h BW.
Kernoverwegingen
“Tegen deze achtergrond moet in het kader van de onderhavige procedure in beginsel worden aangenomen dat verzoekster de hypotheekhouder is, tenzij sprake zou zijn van omstandigheden die onmiskenbaar wijzen op het ontbreken van die positie. Die omstandigheden doen zich hier niet voor. Verzoekster heeft gesteld dat bij de splitsing in 2010 alle Nederlandse particuliere leningen naar haar zijn overgegaan. Dit wordt bevestigd door de feitelijke gang van zaken. Van 2010 tot april 2022 hebben verweerders steeds maandelijkse betalingen gedaan aan verzoekster. Verzoekster heeft die betalingen niet geweigerd, wat wel in de rede had gelegen als zij niet de schuldeiser was. Verzoekster heeft zich ook overigens als de schuldeiser gedragen, bijvoorbeeld door het doen van nieuwe rentevoorstellen bij het aflopen van een rentevaste periode. Verder is van belang dat zich sinds 2010 kennelijk nooit een andere partij heeft gemeld die zich op het standpunt stelde de (nieuwe) schuldeiser te zijn. Dat had zonder meer voor de hand gelegen als de lening bij de splitsing niet naar verzoekster was gegaan, want al die tijd zou de werkelijke schuldeiser dan immers niet betaald zijn geweest. Dit alles wijst er op dat verzoekster de schuldeiser onder de geldlening is (geworden) en dus ook het daaraan verbonden hypotheekrecht heeft verworven.”
r.o. 5.6
“Hieraan doet niet af dat verzoekster kennelijk moeite heeft om de overgang van de geldlening bij de splitsing in 2010 deugdelijk te reconstrueren aan de hand van de in de artikelen 2:334h BW bedoelde stukken. De feitelijke gang van zaken sinds 2010 weegt, in elk geval binnen het kader van deze procedure, zwaarder. Hierbij weegt ook mee dat verweerders volgens hun verklaring ter zitting niet werkelijk bang zijn dat een andere schuldeiser bij hen aanklopt voor betaling van de maandelijkse termijnen. Het gaat hen om het principe zeker te weten dat zij betalen aan een partij die daarop recht heeft. Dit louter principiële belang is onvoldoende om de positie van verzoekster als schuldeiser en hypotheekhouder serieus te betwijfelen. In de onderhavige omstandigheden faalt ook het beroep van verweerders op schending van artikel 431a Rv. Met de schriftelijke mededelingen van verzoekster aan verweerders dat tot tenuitvoerlegging van het hypotheekrecht wordt overgegaan, moet de overgang naar verzoekster van die bevoegdheid voor verweerders redelijkerwijs duidelijk zijn geworden. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat verweerders hierdoor in hun belangen zijn geschaad.
Het verzoek van verzoekster wordt toegewezen”
r.o. 5.7