Rechtbank Rotterdam · 16 september 2026
Interne bestuurdersaansprakelijkheid: geen ernstig verwijt bij aanleg geluidswal met staalslakken
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee vennootschappen spraken hun voormalige (indirect) bestuurder aan op grond van artikel 2:9 en 2:11 BW voor de schade door milieuvervuiling bij de aanleg van een geluidswal met staalslakken. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder geen ernstig verwijt valt te maken: hij informeerde de organen van de vennootschappen uitgebreid, vroeg advies in en liet de overeenkomst controleren. Daarnaast slaagt een beroep op finale kwijting in een vaststellingsovereenkomst. De vorderingen, ook de subsidiaire vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking, worden afgewezen.
Kernoverwegingen
“Artikel 2:9 BW schrijft voor dat iedere bestuurder is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Voor aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van artikel 2:9 BW wegens onbehoorlijk bestuur is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daartoe behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen en het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult. De hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de vennootschap – namelijk alleen bij een persoonlijk ernstig verwijt – wordt gerechtvaardigd door het maatschappelijk belang dat moet worden voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.”
r.o. 5.3
“Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde] van het niet delen van deze e-mail geen ernstig verwijt worden gemaakt, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde] de aan hem uitgelegde risico’s van het gebruik van staalslakken niet met de nodige behoedzaamheid heeft beoordeeld. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.”
r.o. 5.13
“Tegen de achtergrond van het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat [gedaagde] zodanig in zijn informatievoorziening tegenover Made in Scotland c.s. tekort is geschoten dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Integendeel: uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [gedaagde] in een periode van meerdere maanden veelvuldig stukken heeft gedeeld, intern overleg heeft gevoerd en, al dan niet naar aanleiding van dat overleg, (nadere) adviezen heeft ingewonnen, waarover hij vervolgens rapporteerde aan het MT, de AvA en de RvC.
Aangaan overeenkomst met Sent One”
r.o. 5.20