Rechtbank Rotterdam · 11 februari 2026
Ontslag stichtingsbestuurder via verzoekschriftprocedure; geldigheid bestuursbesluiten en rectificatie
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Twee bestuurders van een stichting liggen overhoop. De ene bestuurder vordert in een dagvaardingsprocedure ontslag van de andere, de uitschrijving van vier nieuw benoemde bestuurders en een rectificatie. De rechtbank verwijst de ontslagvordering op grond van artikel 2:298 BW en artikel 69 Rv naar de verzoekschriftprocedure. Zij oordeelt dat de benoemingsbesluiten rechtsgeldig zijn genomen en wijst de overige vorderingen af.
Kernoverwegingen
“Vordering I is gebaseerd op artikel 2:298 BW lid 1 BW, op grond waarvan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie een bestuurder van een stichting kan ontslaan. Zoals al aangekondigd in de zittingsagenda, moet de rechtbank beoordelen of de procedure voor wat betreft deze vordering op grond van artikel 69 Rv moet worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure. Artikel 69 Rv schrijft voor dat de rechter, indien een zaak bij verzoekschrift aanhangig is gemaakt, waar dat bij dagvaarding had moeten plaatsvinden, of omgekeerd, de zaak naar de juiste procedure dient te verwijzen. [gedaagde] meent dat dit het geval is. In geval van voortzetting volgens de regels van de verzoekschriftprocedure zijn er volgens haar nog 31 belanghebbenden die opgeroepen wensen te worden om verweer te voeren. Ook wil zij in dat geval een tegenverzoek indienen tot ontslag van [eiseres] als bestuurder. [eiseres] refereert zich voor wat betreft het spoor waarin de procedure over deze vorderingen zal worden voortgezet aan het oordeel van de rechtbank.”
r.o. 5.1
“Uit artikel 2:298 BW volgt dat een verzoek tot ontslag van een bestuurder bij verzoekschrift moet worden ingeleid. Daarom verwijst de rechtbank de zaak voor wat betreft vordering I, die betrekking heeft op het verzoek tot ontslag van [gedaagde] , op de voet van artikel 69 Rv naar de verzoekschriftprocedure en bepaalt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.”
r.o. 5.2
“Vast staat dat [gedaagde] binnen het bestuur van de stichting de positie van voorzitter vervult. Artikel 8 lid 1 van de statuten bepaalt dat een bestuursvergadering kan worden bijeengeroepen door “de voorzitter, alsmede ten minste twee van de overige bestuurders gezamenlijk”. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat, gelet op deze bepaling, [gedaagde] niet bevoegd is om zelfstandig een bestuursvergadering bijeen te roepen. Volgens [eiseres] is de voorzitter alleen samen met een andere bestuurder bevoegd een bestuursvergadering bijeen te roepen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Artikel 8 lid 1 van de statuten moet taalkundig zo worden gelezen dat de voorzitter zelfstandig en twee van de overige bestuurders gezamenlijk bevoegd zijn om bestuursvergaderingen bijeen te roepen. [gedaagde] is voorzitter, zodat zij op dit punt in haar eentje bevoegd is.”
r.o. 5.7