Rechtbank Rotterdam · 23 september 2026
Verzet tegen verstek: aansprakelijkheid bestuurder en aandeelhouder wegens niet betaalde facturen
- Aansprakelijkheid aangehouden/tussenuitspraak
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
In een verzetprocedure tegen een verstekvonnis vordert een leverancier betaling van onbetaalde facturen van de bestuurder en de aandeelhouder van een Kroatische projectvennootschap, op grond van onrechtmatige daad. De rechtbank acht voorshands bewezen dat de bestuurder heeft toegelaten dat namens de vennootschap een betalingstoezegging is gedaan, mede omdat zijn betwisting tegenstrijdig was. De aandeelhouder heeft bij verkoop van haar aandelen voorlopig onzorgvuldig gehandeld door niet te onderzoeken of schuldeisers betaald zouden worden. Beiden mogen tegenbewijs leveren.
Kernoverwegingen
“Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, dan is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is er, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.”
r.o. 5.11
“De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] c.s. met hetgeen is weergegeven onder 5.14 op zich voldoende gemotiveerd hebben betwist dat [gedaagde 2] heeft toegelaten dat namens [medegedaagde 3] een betalingstoezegging aan Invention is gedaan. [gedaagden] c.s. hebben het standpunt dat zij [naam 1] helemaal niet kennen en dat zij niet wisten dat er misbruik werd gemaakt van [medegedaagde 3] echter pas bij conclusie van dupliek en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ingenomen. In de verzetdagvaarding stelden zij zich nog op het standpunt dat uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat [naam 1] namens [medegedaagde 3] een voorwaarde heeft gesteld aan het voldoen van de facturen van Invention en dat Invention niet aan deze voorwaarde heeft voldaan, zodat [medegedaagde 3] niet verplicht is om de facturen te voldoen. Dat standpunt is zodanig tegenstrijdig aan het standpunt van [gedaagden] c.s. in de conclusie van dupliek en ter zitting dat dat sterk afbreuk doet aan de overtuigingskracht van de gemotiveerde betwisting zoals weergegeven onder 5.14 Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagden] c.s. geen logische verklaring gegeven voor het innemen van deze zeer tegenstrijdige standpunten. De verklaring van de advocaat dat hij in 2.4 van de verzetdagvaarding slechts beschrijft wat hij heeft gelezen in de daarin vermelde e-mailcorrespondentie vindt onvoldoende steun in de tekst van 2.4 van de verzetdagvaarding. Ook uit 3.9 van de verzetdagvaarding kan onvoldoende duidelijk worden […]”
r.o. 5.15
“Tegen de achtergrond van het voorgaande acht de rechtbank voorshands bewezen dat [gedaagde 2] heeft toegelaten dat [naam 1] namens [medegedaagde 3] de betalingsverplichting tegenover Invention is aangegaan.
De vordering tegen [gedaagde 1]”
r.o. 5.16