← Week 20

Rechtbank Rotterdam · 22 april 2026

Vof beëindigd; onderneming toebedeeld aan vennoot na uitkoop; kaders financiële afrekening

  • Personenvennootschappen
  • Personenvennootschappen

Samenvatting

Twee vennoten van een vof (bakkerij en fastfoodzaak) twisten over wie de onderneming na de beëindiging van de vof mag voortzetten en hoe wordt afgerekend. De rechtbank oordeelt dat beide vennoten vanaf de oprichting voor 50% eigenaar waren en dat de afspraken uit 2022 een uitkoop van de ene vennoot door de andere inhielden. De onderneming wordt toebedeeld aan de uitkopende vennoot, de vof is op de datum van opzegging ontbonden en de financiële afrekening volgt op de rol. De provisionele vordering om verkoop van de onderneming te verbieden wordt afgewezen.

Kernoverwegingen

“De rechtbank is van oordeel dat de onderneming, gelet op de afspraken die partijen op 22 augustus 2022 hebben gemaakt en de opzegging van de vof op 7 april 2023, vanaf deze laatste datum door [gedaagde] mag worden voortgezet. Uit de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken leidt de rechtbank namelijk af dat partijen vanaf 28 april 2020 allebei voor 50% eigenaar van [bedrijf 1] waren en dat zij in augustus 2022 hebben afgesproken dat [gedaagde] [eiser] , na betaling van € 49.000,00, zou uitkopen per 1 april 2024. De opzegging van de vof op 7 april 2023 laat onverlet dat [gedaagde] het nog niet betaalde gedeelte van het op 22 augustus 2022 afgesproken bedrag alsnog aan [eiser] moet betalen, maar de opzegging met wederzijds goedvinden maakt wel dat de vof op 7 april 2023 is beëindigd en niet op de in augustus 2022 overeengekomen datum (1 april 2024). De rechtbank ziet geen reden om een partij toe te laten tot bewijslevering.”

r.o. 6.8

“De rechtbank gaat er dus van uit dat [eiser] en [gedaagde] vanaf 28 april 2020 allebei vennoot en voor 50% eigenaar van [bedrijf 1] waren.

[gedaagde] heeft zich ingekocht in de vof”

r.o. 6.16

“Hoewel deze citaten lijken te gaan over het worden van mede-eigenaren, wat zou duiden op inkoop door [gedaagde] , ziet de rechtbank geen aanleiding om hieraan doorslaggevende betekenis toe te kennen. Deze citaten zijn niet voldoende om alle eerder in dit vonnis besproken feiten en omstandigheden, die juist duiden op uitkoop van [eiser] , aan de kant te schuiven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] benadrukt dat er weliswaar is overlegd over een oplossing en dat over en weer voorstellen zijn gedaan, maar dat hij niemand heeft gemachtigd om namens hem te spreken, laat staan om afspraken te maken. Wat anderen zeggen, kan ook als die ander een broer of vader van [gedaagde] is dus niet zonder meer als zijn standpunt of voorstel worden gezien, laat staan dat dit een bindend voorstel of akkoord zou zijn. De rechtbank acht deze redenering van [gedaagde] , die niet gemotiveerd door [eiser] is weersproken, juist.”

r.o. 6.46

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:4855
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
22 april 2026
Datum publicatie
13 mei 2026
Spoor
Personenvennootschappen
Thema
Personenvennootschappen
Weekoverzicht
Week 20 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.