Rechtbank Rotterdam · 29 april 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid: deels toegewezen, geen aansprakelijkheid voor vooropgezet plan of verhaalsfrustratie
- Aansprakelijkheid deels toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een opdrachtnemer vorderde van een vennootschap betaling van facturen en van haar (indirect) bestuurder schadevergoeding wegens een persoonlijk ernstig verwijt. De rechtbank houdt de bestuurder, en via artikel 2:11 BW zijn beheervennootschap, aansprakelijk voor een beperkt deel van de facturen. Voor het overige is onvoldoende onderbouwd dat sprake was van een vooropgezet plan of verhaalsfrustratie.
Kernoverwegingen
“Over de vorderingen van [eiser] op Beheer en [naam 2] heeft de rechtbank geoordeeld dat [naam 2] als bestuurder aansprakelijk is ten aanzien van het onbetaald laten van de facturen 34/2023, 35/2023 en 36/2023, voor een bedrag van in totaal € 26.897,47. Hem treft naar het oordeel van de rechtbank een persoonlijk ernstig verwijt, omdat hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat Badkamers niet aan haar betalingsverplichtingen ten aanzien van die facturen zou kunnen voldoen. Deze aansprakelijkheid rust op grond van artikel 2:11 BW ook op Beheer.”
r.o. 2.4
“In 5.47 van het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] bij conclusie van antwoord in reconventie onweersproken heeft gesteld dat er vanaf het begin van de samenwerking betalingen van facturen vanuit de vof aan [eiser] zijn voldaan. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] . in hun akte wel voldoende gemotiveerd hebben weersproken dat de facturen van [eiser] vanaf het begin van de samenwerking door de vof werden voldaan. [gedaagden] . hebben overzichten overgelegd, waaruit blijkt dat vanaf het begin van de samenwerking de facturen werden voldaan door Badkamers en ook dat gedurende de samenwerking het grootste deel van de facturen is voldaan door Badkamers. [eiser] heeft deze stukken onweersproken gelaten en heeft ook niet betwist dat Badkamers in totaal 155 betalingen aan [eiser] heeft verricht en de vof slechts 19 gedurende de samenwerking. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat vanaf het begin van de samenwerking betalingen van facturen vanuit de vof aan [eiser] zijn voldaan.”
r.o. 2.13
“Of de facturen tot en met 4 december 2022 aan de vof werden gericht en vanaf 26 maart 2023 aan Badkamers, blijkt niet doorslaggevend te zijn, nu [gedaagden] . hebben aangetoond dat bijna alle facturen van [eiser] werden voldaan door Badkamers en niet door de vof. Of in 3.3 en 3.6 van het tussenvonnis de feiten hieromtrent juist zijn vastgesteld kan dan ook in het midden blijven. Tussen partijen is niet in geschil dat in het kader van de samenwerking [eiser] diensten uitvoerde in opdracht van Badkamers. Dat de vof ook een enkele betaling heeft gedaan, maakt niet dat [eiser] aanspraak kon maken op betaling van zijn facturen door de vof. De rechtbank acht doorslaggevend door wie de facturen normaal gesproken werden betaald en dat was Badkamers. De rechtbank gaat er van uit dat [eiser] wist dat Badkamers de facturen betaalde door het kennisnemen van de eigen bankafschriften en in lijn daarmee het uitblijven van een reactie op de door [gedaagden] . overgelegde bankafschriften.”
r.o. 2.15