Rechtbank Rotterdam · 15 mei 2026
Kort geding: voormalig voorzitter stichting moet onbevoegd overgemaakte gelden terugbetalen
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een stichting vordert in kort geding van haar voormalige bestuursvoorzitter terugbetaling van gelden die zij na haar ontslag in haar eentje had overgemaakt, en herstel van de toegang tot de accounts van de stichting. De voorzieningenrechter oordeelt dat de voormalige voorzitter niet bevoegd was de betalingen te verrichten, omdat de statuten twee gezamenlijk handelende bestuurders voorschrijven, en dat zij voorshands onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). De geldvordering en de vordering tot verstrekking van de inloggegevens worden toegewezen.
Kernoverwegingen
“Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter moet daarom beoordelen of de Stichting ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder moet de voorzieningenrechter in dit kort geding beoordelen of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter moet in dit verband ook een belangenafweging maken. Voor wat betreft de geldvordering geldt in aanvulling op het voorgaande dat bij toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden is en dat rekening moet worden gehouden met het risico dat de Stichting het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval zij in een bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld. Het spoedeisend belang”
r.o. 5.1
“De voorzieningenrechter wijst vordering I. toe. Hoewel [gedaagde] betoogt dat zij de wachtwoorden niet heeft veranderd of de toegang van de andere bestuursleden heeft geblokkeerd, geeft [gedaagde] aan wel een melding te hebben ontvangen van Google dat vanuit een vreemd IP-adres is ingelogd op het Google-account en dat [gedaagde] daar niks mee heeft gedaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van [gedaagde] lag om na haar ontslag als voorzitter – eventueel samen met de andere bestuursleden – te zorgen dat de overige bestuursleden toegang zouden behouden tot de accounts van de Stichting. Door niks te doen met de melding van Google heeft [gedaagde] de kwestie rondom (de toegang tot) de accounts in de hand gewerkt. Van [gedaagde] mag worden verwacht dat zij nu alsnog meewerkt aan het herstel van de toegang van de bestuursleden van de Stichting tot het e-mail- en Google-account van de Stichting. Bovendien moge duidelijk zijn dat [gedaagde] zich daarna op geen enkele wijze meer toegang moet proberen te verschaffen tot de verschillende accounts van de Stichting. Vordering II. wordt ook toegewezen”
r.o. 5.4
“De voorzieningenrechter wijst ook de geldvordering onder II. toe. De statuten van de Stichting schrijven voor dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de Stichting steeds toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuurders. Ongeacht het antwoord op de vraag of [gedaagde] op 8 (of 9) oktober 2025 nog voorzitter was, staat vast dat [gedaagde] de betalingen namens de Stichting in haar eentje, zonder een bevoegd genomen bestuursbesluit en zonder medeweten en handelingen van (één van) de andere bestuursleden van de Stichting, heeft verricht. [gedaagde] was dan ook niet bevoegd – als voorzitter niet en als ex-voorzitter al helemaal niet – om de betalingen te verrichten. Het standpunt van [gedaagde] dat aan de betalingen vrijwilligersovereenkomsten ten grondslag liggen, kan haar niet baten. De Stichting betwist de rechtsgeldigheid en de datering van die overeenkomsten. Bovendien geldt dat één van die overeenkomsten is gedateerd op 1 september 2024 en dat de Stichting op dat moment drie bestuursleden had, terwijl [gedaagde] die overeenkomst alleen (en dus onbevoegd) heeft ondertekend. Voor de overeenkomst die op 1 juli 2024 is gedateerd, geldt dat – hoewel [gedaagde] destijds in haar eentje bestuurder van de Stichting was – het op de weg van [gedaagde] lag om die overeenkomst bij aantreding van de overige bestuursleden ter sprake zou brengen. Door dit niet te doen en daarbij pas na haar ontslag als voorzitter tot betaling van de gesteld verschuldigde vergoedingen over te gaan, […]”
r.o. 5.5