Rechtbank Rotterdam · 18 maart 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid 2:248 BW: schending administratie- en publicatieplicht, disculpatie faalt
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de (middellijk) bestuurders van een failliete koeriersonderneming aan voor het boedeltekort op grond van artikel 2:248 BW. De rechtbank oordeelt dat de te late deponering van de jaarrekening en de gebrekkige administratie onbehoorlijke taakvervulling opleveren en dat een belangrijke oorzaak van het faillissement wordt vermoed. Het beroep op een andere oorzaak en op disculpatie slaagt niet; de vorderingen worden hoofdelijk toegewezen.
Kernoverwegingen
“Als het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW (administratieplicht) of 2:394 BW (publicatieplicht), staat vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 2 BW). Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van artikel 2:248 lid 1 BW om aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling toch mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Publicatieplicht”
r.o. 5.4
“Vaststaat dat de jaarrekening over 2020 te laat is gedeponeerd. Daarmee staat vast dat niet is voldaan aan de verplichtingen uit artikel 2:394 BW. Aangezien de schending van de publicatieplicht heeft plaatsgevonden in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement wordt (onweerlegbaar) vermoed dat [gedaagde 3] zijn taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft vervuld en wordt (weerlegbaar) vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement van [bedrijf 1] (zie 5.4).
Administratieplicht”
r.o. 5.6
“De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 3] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de administratie van [bedrijf 1] niet aan de eisen van artikel 2:10 lid 1 BW voldoet. [gedaagde 3] heeft immers niet betwist dat een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst tussen GLS en [bedrijf 1] in de administratie van [bedrijf 1] ontbreekt, terwijl GLS – zoals de curator onweersproken heeft gesteld – de enige opdrachtgever van [bedrijf 1] was. [gedaagde 3] heeft ook niet betwist dat de facturen voor de betalingen aan [bedrijf 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 2] in de administratie van [bedrijf 1] ontbreken. Datzelfde geldt voor de aandeelhoudersbesluiten die ten grondslag liggen aan de managementovereenkomsten en de verhoging van de managementvergoedingen. Het verweer van [bedrijf 1] dat de aandeelhoudersbesluiten niet tot de administratie behoren treft geen doel. Het gaat hier immers om de aandeelhoudersbesluiten die ten grondslag liggen aan de betalingen van de managementvergoedingen aan de middellijk bestuurders, tevens aandeelhouders van [bedrijf 1] . Het ontbreken van de hiervoor vermelde stukken leidt al tot de conclusie dat de administratie van [bedrijf 1] niet zodanig was ingericht dat snel inzicht kon worden verkregen in de rechten en verplichtingen van [bedrijf 1] .”
r.o. 5.9