Rechtbank Rotterdam · 17 juni 2026
Schorsing ontzetting uit verenigingslidmaatschap wegens gebrekkige motivering, onder voorwaarde bodemprocedure
- Vereniging, stichting en coöperatie
- Besluitvorming en vernietigbaarheid
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een lid van een volkstuinvereniging is door het bestuur ontzet uit het lidmaatschap en de algemene ledenvergadering heeft dat besluit gehandhaafd. In dit tweede kort geding schorst de voorzieningenrechter beide besluiten, omdat de vereniging ook nu niet aannemelijk maakt dat het lid in strijd met de statuten of reglementen heeft gehandeld en het besluit nog steeds gebrekkig is gemotiveerd. De schorsing geldt onder de voorwaarde dat het lid binnen een maand een bodemprocedure aanhangig maakt.
Kernoverwegingen
“De voorzieningenrechter overweegt allereest dat het er alle schijn van heeft dat ATV Ommoord achteraf en pas in deze procedure de gang van zaken die heeft geleid tot de officiële waarschuwing (en later het Ontzettingsbesluit), probeert vast te leggen. Immers, in de eerste procedure die tot het Vonnis heeft geleid, heeft [eiser] aan de orde gesteld dat haar eigendommen zijn vernield door de buurvouw en dat enkel [eiser] een waarschuwing heeft gekregen voor de onenigheid met deze buurvrouw. ATV Ommoord heeft dat destijds niet betwist. Pas in onderhavige procedure stelt ATV Ommoord plotsklaps dat [eiser] de eigendommen van haar buurvrouw zou hebben vernield en dat de buurvrouw wel zou zijn aangesproken op de ruzie met [eiser]. Deze procedure is niet de plek om achteraf een dossier tegen [eiser] op te bouwen. Dit had ATV Ommoord voorafgaand aan het geven van de waarschuwing en in de aanloop naar het Ontzettingsbesluit moeten doen.”
r.o. 5.3
“De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bezwaren van [eiser] tegen het Ontzettingsbesluit en de wijze waarop het Ontzettingsbesluit in de ALV is behandeld, in tegenstelling tot wat ATV Ommoord stelt, voldoende duidelijk zijn. De standpunten van [eiser] volgen uit meerdere e-mails die ze aan het bestuur heeft verzonden, uit de procedure die tot het Vonnis heeft geleid en ook uit de dagvaarding in deze procedure. [eiser] stelt dat ATV Ommoord nog altijd niet heeft aangetoond op welke grond zij is ontzet uit haar lidmaatschap. Dit kan slechts wanneer zij in strijd handelt met de statuten, reglementen of besluiten van ATV Ommoord. ATV Ommoord heeft ook in deze procedure niet aannemelijk gemaakt in strijd waarmee [eiser] zou hebben gehandeld. Dat er (inmiddels) een verstoorde verhouding tussen [eiser] en het bestuur van ATV Ommoord zou zijn ontstaan, is geen grond voor ontzetting. Daar komt bij dat ATV Ommoord ook in de beroepsprocedure bij de ALV heeft nagelaten het Ontzettingsbesluit te onderbouwen, maar slechts heeft volstaan met een kale verwijzing naar artikel 8 lid 7 van de statuten en artikel 9 van het huishoudelijk reglement. Uit de notulen van de ALV blijkt immers niet op welke, concrete, wijze [eiser], volgens ATV Ommoord, de statuten en het huishoudelijk reglement zou hebben geschonden.”
r.o. 5.4
“Het voorgaande betekent dat het Ontzettingsbesluit inhoudelijk nog net zo gebrekkig is als het was tijdens het vorige kort geding. Dat leidt tot toewijzing van het mindere van het gevorderde. De voorzieningenrechter schorst het Ontzettingsbesluit en het besluit van de ALV onder de voorwaarde dat [eiser] binnen een maand na betekening van dit vonnis een bodemprocedure aanhangig maakt waarin zij de vernietiging van het Ontzettingsbesluit inroept.
Toe te wijzen vorderingen”
r.o. 5.5