Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 maart 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid artikel 2:248 BW na Ponzi-achtige obligatiewerving; bestuursverbod opgelegd
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de bestuurders, de bestuurders-vennootschappen en een feitelijk leidinggevende van een failliete obligatie-uitgevende vennootschap aan voor het boedeltekort. De rechtbank past het onweerlegbaar vermoeden van onbehoorlijk bestuur uit artikel 2:248 lid 2 BW toe, omdat de jaarrekeningen maanden te laat zijn gedeponeerd. Het beroep op corona en de blokkade van het Suezkanaal slaagt niet. De rechtbank wijst de hoofdelijke aansprakelijkheid, een voorschot van € 1.000.000 en een bestuursverbod van vijf jaar toe.
Kernoverwegingen
“Op grond van artikel 2:394 lid 3 BW moet een jaarrekening uiterlijk twaalf maanden na afloop van het boekjaar worden gedeponeerd. [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] (hierna gezamenlijk aangeduid als gedaagden) hebben niet weersproken dat de jaarrekening van MBMO Group over 2019 bijna acht maanden te laat is gedeponeerd en de jaarrekening over 2020 vijf maanden te laat. Een overschrijding van de termijn van enkele maanden kan niet worden aangemerkt als een onbelangrijk verzuim. Dat, zoals gedaagden aanvoeren, de cijfers tijdig gereed waren, maar dat is vergeten om ze openbaar te maken, is geen aanvaardbare verklaring voor de termijnoverschrijding en leidt niet tot een ander oordeel.”
r.o. 4.8
“Omdat de publicatieplicht uit artikel 2:394 BW niet is nageleefd, heeft op grond van artikel 2:248 lid 2 BW als onweerlegbaar vermoeden te gelden dat de taakvervulling van het bestuur van MBMO Group over de gehele linie onbehoorlijk is geweest. Om die reden behoeft de vraag of er ook schending is van de uit artikel 2:10 BW voortvloeiende verplichtingen en of op grond daarvan sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling geen bespreking meer.”
r.o. 4.9
“De rechtbank is van oordeel dat gedaagden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de coronamaatregelen en de blokkade van het Suezkanaal daadwerkelijk van invloed zijn geweest op het faillissement van MBMO Group.
Niet ter discussie staat dat MBMO Group vanaf de startdatum van haar onderneming verlieslatend is geweest en (eind 2021) een negatief eigen vermogen heeft opgebouwd van ruim € 4.200.000,00. Ook staat niet ter discussie dat MBMO Group met haar bedrijfsvoering geen reële inkomsten en omzet heeft gegenereerd, ook niet in de vier jaar voorafgaand aan de coronapandemie, en dat het werkkapitaal van MBMO Group bestond uit de gelden die MBMO Group van haar leninggevers had ontvangen. Van dat werkkapitaal werden de bedrijfskosten voldaan, waaronder de managementvergoedingen, en de kosten van de bedrijven waarin MBMO Group zou hebben geïnvesteerd. Niet weersproken is dat MBMO Group in de periode 2017 tot en met 2022 aanzienlijke bedragen aan haar bestuurders heeft overgemaakt. In totaal ruim € 2.200.000,00. De kosten die MBMO Group ten behoeve van de startups zou hebben betaald, heeft MBMO Group volgens gedaagden niet terugbetaald gekregen, maar zijn in rekening-courant geboekt. Dan rijst de vraag op welke wijze MBMO Group uit haar bedrijfsvoering haar leninggevers hun inleg en de aan hen beloofde rendementen (tijdig) kon (terug)betalen bij het aflopen van de obligatie. De curator heeft gedaagden meerdere malen verzocht hierover opheldering te verschaffen. In deze procedure […]”
r.o. 4.12