Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 18 maart 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid franchisenemers: onvoldoende gesteld persoonlijk ernstig verwijt, beslag opgeheven
- Aansprakelijkheid afgewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
Een franchisegever sprak de indirect bestuurder van twee franchisenemers persoonlijk aan voor € 150.000 wegens vermeende schending van non-concurrentiebedingen door de vennootschappen. De rechtbank toetst dit aan de Roelofsen-maatstaf (mede artikel 2:9 BW) en oordeelt dat te weinig is gesteld over het persoonlijk ernstige verwijt en over de overtredingen. De vorderingen worden afgewezen en het conservatoire beslag op de woning wordt opgeheven.
Kernoverwegingen
“RaS Nederland baseert haar vordering op [persoon] op onrechtmatige daad, meer in het bijzonder op bestuurdersaansprakelijkheid. Of [persoon] in deze zaak als (indirect) bestuurder van RaS België persoonlijk aansprakelijk is, zal de rechtbank beoordelen aan de hand van de maatstaf die door de Hoge Raad is ontwikkeld in het arrest Ontvanger/Roelofsen. Het uitgangspunt in de rechtspraak is dat een vennootschap zelf aansprakelijk is voor het tekortschieten in de nakoming van een verbintenis of het plegen van een onrechtmatige daad. Onder bijzondere omstandigheden kan daarnaast ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder. Daarvoor is nodig dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In het arrest Ontvanger/Roelofsen zijn door de Hoge Raad (niet-limitatief) twee gevalstypen van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt geformuleerd. Uit de dagvaarding leidt de rechtbank af dat RaS Nederland haar vorderingen in beide zaken op het tweede gevalstype baseert.”
r.o. 5.5
“Bij dit tweede gevalstype gaat het om de situatie waarin een schuldeiser van een vennootschap wordt benadeeld door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering doordat de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In het algemeen mag alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder tegenover de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarvan is sprake als het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden aangenomen.”
r.o. 5.6
“De rechtbank komt tot het oordeel dat RaS Nederland te weinig feiten heeft gesteld ter onderbouwing van haar standpunt dat [persoon] onrechtmatig heeft gehandeld. RaS Nederland stelt dat het non-concurrentiebeding vier keer is geschonden. Van RaS Nederland mag dan verwacht worden dat zij aangeeft welke bepaling uit het non-concurrentiebeding (artikel 20 bestaat uit 8 bepalingen) is geschonden en op welke wijze deze bepaling is geschonden. RaS Nederland heeft dit nagelaten. RaS Nederland heeft in de dagvaarding namelijk niet benoemd om welke vier overtredingen het concreet gaat. RaS Nederland heeft de overtredingen ter zitting wel (kort) nader toegelicht in die zin dat zij de klanten heeft genoemd die zouden zijn overgedragen aan een andere onderneming. Verder is benoemd dat [persoon] bij deze andere onderneming als ‘commercieel directeur’ is gaan werken. Daarnaast heeft RaS Nederland verwezen naar een aantal (onleesbare) bewijsstukken bij de beslagstukken die zijn overgelegd door [persoon] , waaruit zou moeten blijken dat in strijd is gehandeld met het relatiebeding zoals verwoord in artikel 20.6 van de franchiseovereenkomst. Ras Nederland heeft hier echter geen nadere toelichting op gegeven. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [persoon] dat sprake was van schending van het non-concurrentiebeding, had het op de weg van RaS Nederland gelegen haar standpunten nader te onderbouwen. Zeker op het punt van het persoonlijk ernstig verwijt aan [persoon] .”
r.o. 5.8