Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 12 augustus 2026
Curator: aansprakelijkheid indirect bestuurder voor boedeltekort ex artikel 2:248 BW
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Jaarrekening
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een curator spreekt de indirect bestuurder van twee gefailleerde vennootschappen aan voor het boedeltekort wegens schending van de boekhoud- en publicatieplicht. De rechtbank oordeelt dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat het vermoeden van een belangrijke oorzaak van de faillissementen niet is weerlegd. De vordering op grond van artikel 2:248 BW wordt toegewezen, zonder matiging. Vier gelieerde vennootschappen worden bij verstek veroordeeld tot terugbetaling van ontvangen bedragen.
Kernoverwegingen
“De curator heeft [gedaagde 5] als indirect bestuurder van [eiser 1] en [eiser 2] op grond van artikel 2:248 lid 2 BW aansprakelijk gesteld wegens schending van de boekhoudplicht (artikel 2:10 BW) en schending van de publicatieplicht (artikel 2:394 BW). De schending van de boekhoudplicht is gebaseerd op het feit dat de curator geen administratie heeft aangetroffen en [gedaagde 5] niet heeft voldaan aan zijn verzoeken om alsnog een administratie over te leggen. [gedaagde 5] heeft niet weersproken dat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Daarnaast staat ook vast dat de jaarrekeningen niet (tijdig) zijn gedeponeerd.”
r.o. 4.2
“Nu vast is komen te staan dat niet is voldaan aan de boekhoudplicht en publicatieplicht, staat eveneens vast dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van de faillissementen. Dit vermoeden kan worden weerlegd. Een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van de faillissementen, volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van de faillissementen zijn geweest.”
r.o. 4.3
“De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 5] dit vermoeden niet heeft weerlegd. Hij heeft slechts aangevoerd dat de oorzaak van beide faillissementen is gelegen in de beslagleggingen die zijn gedaan door het OM. Voor zover daardoor inderdaad de faillissementen zijn veroorzaakt, is dit een omstandigheid die te wijten is aan het handelen van [gedaagde 5] . Dat betekent dat de vorderingen van de curator zullen worden toegewezen.”
r.o. 4.4