Gerechtshof Amsterdam · 14 april 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid na doorstart modeketens: indirecte bestuurders, Zwitserse moeder en onrechtmatige daad
- Aansprakelijkheid toegewezen
- Bestuurdersaansprakelijkheid
- Boek 2 BW
- Art. 6:162 BW
Samenvatting
De curator in de faillissementen van vier personeelsvennootschappen spreekt de (indirecte) bestuurders aan voor het boedeltekort. Het hof oordeelt dat de administratieplicht is geschonden en dat ook overigens sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur dat een belangrijke oorzaak van de faillissementen is. Via artikel 2:11 BW zijn alle bestuurdersvennootschappen, inclusief de Zwitserse, aansprakelijk, maar de natuurlijke persoon erachter niet. Die persoon is geen feitelijk beleidsbepaler, maar wel aansprakelijk uit onrechtmatige daad wegens schending van de bijzondere zorgplicht van de moedermaatschappij.
Kernoverwegingen
“Met de schending van de administratieplicht staat de onbehoorlijke taakvervulling (in de drie jaar voorafgaande aan de faillissementen, artikel 2:248 lid 6 BW) vast en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van de faillissementen is. Het is dan aan de aangesproken bestuurder om aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Als de bestuurder daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van art. 2:248 lid 1 BW aannemelijk te maken dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.
Kennelijk onbehoorlijk bestuur overigens”
r.o. 6.9
“Nu [appellanten] niet stellen dat sprake is van de situatie als bedoeld in lid 3 van artikel 2:248 BW en daar ook geen bewijs voor hebben aangeboden, is de slotsom dat in ieder geval NXT Miss Etam B.V., NXT New Brands B.V. en NXT SSC Holding B.V. en door de werking van artikel 2:11 BW ook alle overige bestuurdersvennootschappen, met inbegrip van FLV Group Holding AG, op grond van artikel 2:248 lid 1 BW aansprakelijk zijn voor het boedeltekort. Ook met de verwijzing naar de schadestaatprocedure op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 5 BW, zoals primair gevorderd, verenigt het hof zich. Op de omvang van het boedeltekort wordt hierna onder 6.28 nog nader ingegaan.
[appellant 1]”
r.o. 6.17
“[appellant 1] is niet door de werking van artikel 2:11 BW (mede-)aansprakelijk op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 1 e.v. BW voor het boedeltekort, zoals de Hoge Raad heeft bevestigd in het My Guide-arrest. Dit erkent de curator op zichzelf ook. Dat, zoals de curator aanvoert, op deze uitspraak in de literatuur wel kritiek is geuit, maakt niet dat het hof dit niet als geldend recht aanvaardt. Tussen partijen is niet in geschil dat het toepasselijke Zwitserse incorporatierecht geen regel bevat die vergelijkbaar is met de regel van Nederlands rechtspersonenrecht van artikel 2:11 BW . In elk geval heeft de curator een dergelijke regel van Zwitsers recht niet aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd.”
r.o. 6.18