← Week 17

Gerechtshof Amsterdam · 14 april 2026

Stichting begraafplaats is zelfstandig onderdeel van kerkgenootschap, geen burgerlijke stichting

  • Vereniging, stichting en coöperatie
  • Overig Boek 2
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Het bestuur van een stichting die sinds 1887 een rooms-katholieke begraafplaats beheert, wil de statuten wijzigen. Het bisdom weigert de vereiste goedkeuring en stelt dat de stichting een zelfstandig onderdeel is van het kerkgenootschap. Het hof oordeelt dat de stichting een zelfstandig onderdeel van het kerkgenootschap is in de zin van artikel 2:2 BW en geen burgerlijke stichting in de zin van artikel 2:285 BW. De artikelen 2:8 en 2:294 BW zijn daarom niet van toepassing en de beschikking wordt bekrachtigd.

Kernoverwegingen

“Het hof stelt voorop dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersoonlijkheid bezitten, zo volgt uit artikel 2:2 lid 1 BW. Ook vóór de invoering van Boek 2 in 1976 werd algemeen aangenomen dat kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen rechtspersonen waren. Kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Deze bepaling berust op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat. Wat in een concreet geval behoort tot het statuut van een kerkgenootschap, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het algemeen behoren daartoe regelingen over de organisatiestructuur en het interne functioneren van het kerkgenootschap , waaronder regels over het bestuur van het kerkgenootschap en over de verhouding tussen het kerkgenootschap en zijn geestelijk ambtsdrager(s).”

r.o. 5.4

“De wet formuleert geen positieve criteria voor het zijn van zelfstandig onderdeel. Als negatief criterium geldt dat een instelling die door het kerkgenootschap zelf niet als onderdeel wordt beschouwd, niet als zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap kan worden aangemerkt. In dat verband is het standpunt van de betrokken bisschop relevant. De burgerlijke rechter zal de vraag of sprake is van een (zelfstandig) onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW in de eerste plaats moeten beoordelen naar het eigen statuut, en de eigen regels van het kerkgenootschap in kwestie.”

r.o. 5.6

“Op grond van het voorgaande, en gelet op wat voortvloeit uit het bepaalde in de statuten en het AR 1855 over de organisatie en bevoegdheden van de stichting en de gezagsverhouding met de bisschop, is het hof van oordeel dat de stichting ten tijde van haar oprichting diende te worden aangemerkt als een zelfstandig onderdeel van het R.K. Kerkgenootschap . Wat het bestuur voor het overige heeft aangevoerd, legt onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.”

r.o. 5.12

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1043
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
24 april 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:2 BW, 2:285 BW, 2:8 BW, 2:294 BW
Thema
Vereniging, stichting en coöperatie, Overig Boek 2
Weekoverzicht
Week 17 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.