← Week 30

Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 14 april 2026

OK wijst enquêteverzoek af: geen gegronde redenen bij converteerbare lening in liquiditeitsnood

  • Enquêterecht
  • Besluitvorming en vernietigbaarheid
  • Boek 2 BW

Samenvatting

Minderheidsaandeelhouders verzoeken een enquête naar het beleid van een houdstermaatschappij naar aanleiding van een converteerbare lening die in een acute liquiditeitscrisis is aangegaan met steun van de meerderheidsaandeelhouder. De OK verklaart een deel van de verzoekers niet-ontvankelijk wegens ontbrekende procesvolmachten en oordeelt dat artikel 2:349 BW in de bezwarenbrief voldoende is gewaarborgd. Zij ziet geen gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid, omdat er geen alternatief was, de voorwaarden niet onredelijk waren en concrete onderbouwing van de dominantie van de meerderheidsaandeelhouder ontbreekt. Het verzoek wordt afgewezen.

Kernoverwegingen

“De Ondernemingskamer oordeelt als volgt. Bij nader toegezonden productie hebben Verzoekers procesvolmachten overgelegd van verzoeker sub 3-5, 7-10, 12, 13 en 15-20. Verder hebben zij procesvolmachten overgelegd die niet met zekerheid zijn terug te voeren naar een bepaalde verzoeker. De Ondernemingskamer zal daarom verzoekers 6, 11, 14 en 21-24 niet-ontvankelijk verklaren. [investeerder 7] Holding c.s. en verzoekers sub 3-5, 7-10, 12, 13 en 15-20 tezamen zijn ontvankelijk (hierna gezamenlijk nog steeds: Verzoekers). Dat niet alle Verzoekers de bezwarenbrief hebben ondertekend maakt dit, anders dan PAIX en Holdco stellen, niet anders. Gelet op de strekking van art. 2:349 lid 1 BW is aan het voorschrift voldaan indien op grond van de inhoud van de schriftelijke bezwaren, alsmede de omstandigheden waaronder en de wijze waarop zij naar voren zijn gebracht voor de vennootschap duidelijk moest zijn dat deze bezwaren de grondslag zouden kunnen vormen voor een door een voldoende aantal aandeelhouders ondersteund verzoek tot het instellen van een enquête. De bezwaren zijn voldoende kenbaar gemaakt via de door de andere verzoekers, die samen voldoen aan het kapitaalsvereiste, gestuurde bezwarenbrief. Dat enkele van de verzoekers hebben ingeschreven op de CLA, doet aan hun ontvankelijkheid evenmin af, omdat het een (niet willen verwateren) naast het ander (bezwaren hebben tegen de gang van zaken van de CLA) kan bestaan.

Gegronde redenen”

r.o. 3.4

“In de gegeven omstandigheden geldt als uitgangspunt dat PAIX uit hoofde van haar zorgplicht jegens haar minderheidsaandeelhouders in beginsel uit eigen beweging en op vragen van de minderheidsaandeelhouder(s), ook buiten het verband van de aandeelhoudersvergadering, de nodige transparantie moet betrachten (vgl. OK 27 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:717, Fuelplants). Vanaf het moment dat het bestuur van PAIX besloot de CLA voor te bereiden en alle aandeelhouders in dat kader aan te (gaan) schrijven, lag het op de weg van het bestuur om de minderheidsaandeelhouders actief te informeren over de financiële situatie van PAIX, de redenen om voor een CLA als herfinancieringsinstrument te kiezen en de voorwaarden van de CLA. De Ondernemingskamer is het met Verzoekers eens dat PAIX dit niet telkens tijdig en zorgvuldig heeft gedaan. Zo is de tekst van de CLA voor het eerst op 11 juli 2025 gedeeld, terwijl de inschrijftermijn op dat moment liep tot en met 11 juli 2025. Ook zijn vijftien minderheidsaandeelhouders, ten onrechte, pas later bericht over de CLA. Daartegenover staat dat PAIX de inschrijftermijn vervolgens heeft verlengd en in daaropvolgende ‘Q&A’s aanvullende informatie heeft verstrekt over onder meer de liquiditeitspositie van PAIX, de voortgang van de CLA en de gemaakte afwegingen om te kiezen voor en vast te houden aan de CLA. Ook heeft PAIX de aandeelhouders die zij over het hoofd had gezien alsnog de kans geboden (met eenzelfde termijn) om desgewenst te participeren […]”

r.o. 3.9

“De Ondernemingskamer stelt voorop dat het bestuur van PAIX bij de afweging om in de gegeven omstandigheden de CLA wel of niet te sluiten de nodige beoordelingsvrijheid toekomt. De Ondernemingskamer treedt in beginsel niet in de merites van die beslissing zolang daaraan een gedegen besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen en alle in aanmerking komende belangen en risico’s. Tussen partijen is niet in geschil is dat al lange tijd sprake was van liquiditeitskrapte bij PAIX en dat de aanhoudende krapte in het voorjaar van 2025 was uitgemond in acute liquiditeitsnood (zie randnummer 2.24). Uit hetgeen door de verwerende partijen naar voren is gebracht blijkt dat er in de zomer van 2025 op korte termijn geen (concreet) financieringsalternatief voor de CLA was. Zo is een van de conclusies van het Vantage Rapport: “At the end of June 2025, the remaining total cash balance of PAIX ($0.4m) was insufficient to cover salaries, scheduled payments on the DGGF loan and other critical financial obligations scheduled for July 2025. As no third-party financing options were available in July 2025, PAIX faced an immediate liquidity shortage and imminent insolvency. To cover the liquidity shortage and avoid insolvency, the only financing solution available on short notice and within control of the board of PAIX, should come from the existing shareholders of PAIX.” Die conclusie is onvoldoende weersproken door Verzoekers.”

r.o. 3.16

Gegevens

ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:1350
Instantie
Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer)
Soort
Uitspraak
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
22 juli 2026
Spoor
Boek 2 BW
Wetsartikelen
2:349 BW
Thema
Enquêterecht, Besluitvorming en vernietigbaarheid
Weekoverzicht
Week 30 van 2026

Delen

LinkedInE-mail

Deze samenvatting is automatisch gemaakt met AI en kan fouten bevatten. Het is geen juridisch advies. De uitspraak op rechtspraak.nl is leidend.