Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 29 september 2026
Uitkoop na openbaar bod: 2:359c BW afgewezen, 2:201a BW toegewezen
- Uitkoop
- Aandelenwaardering
- Boek 2 BW
Samenvatting
Een bieder die na een openbaar bod ruim 97% van de aandelen hield, vorderde uitkoop van de overige aandelen. De OK wijst de vordering op grond van artikel 2:359c BW af, omdat na de omzetting van de naamloze vennootschap in een besloten vennootschap sprake is van verschillende soorten aandelen en de bieder alleen aandelen B hield. Op grond van artikel 2:201a BW wordt de vordering wel toegewezen tegen de biedprijs, die op basis van een acceptatiegraad van 97,74% als billijk wordt vermoed.
Kernoverwegingen
“De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De Aandelen B zijn ontstaan bij de statutenwijziging van 30 april 2026, waarbij [bedrijf] van een naamloze vennootschap in een besloten vennootschap is omgezet. Kodiak houdt sindsdien alleen Aandelen B. De vordering van Kodiak betreft gewone Aandelen. Op grond van artikel 4 van de op 30 april 2026 gewijzigde statuten van [bedrijf] worden voor de gewone Aandelen en de Aandelen B afzonderlijke agio- en winstreserves aangehouden. Op grond van artikel 27 lid 3 van de statuten beslist de vergadering van houders van gewone Aandelen, respectievelijk Aandelen B over de uitkeringen ten laste van die respectieve reserves. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat aan de gewone Aandelen en de Aandelen B (steeds) dezelfde rechten en plichten zijn verbonden, maar is sprake van een bijzondere gerechtigdheid tot een vermogensbestanddeel of een reserve van de vennootschap en dus van verschillende soorten aandelen als bedoeld in artikel 2:359c lid 2 BW (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BB3523 (DSM) en ECLI:NL:HR:2011:BN7252 (Staatssecretaris/X), rov. 3.3.4 en 3.3.5). Kodiak kan als houder van uitsluitend Aandelen B niet op de voet van artikel 2:359c BW een vordering instellen tot overdracht van de gewone Aandelen, omdat zij op de dag van de dagvaarding geen gewone Aandelen houdt. De vordering tot overdracht van de gewone Aandelen kan dus niet op grond van artikel 2:359c BW worden toegewezen.
De vordering op grond van artikel 2:201a BW; het […]”
r.o. 3.5
“Bij de toets of Kodiak voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in [bedrijf] verschaft en 95% van de stemrechten vertegenwoordigt, tellen de Aandelen die [bedrijf] in haar eigen kapitaal houdt ingevolge het bepaalde in artikel 2:201a BW in verbinding met artikel 2:24d BW, niet mee. Op grond van voornoemde stukken, mede in onderling verband gezien, staat naar het oordeel van de Ondernemingskamer genoegzaam vast dat Kodiak op de dag van de dagvaarding voor eigen rekening in ieder geval 474.534.137 Aandelen hield van de in totaal bij deze toets mee te tellen 485.464.923 (488.178.642 Aandelen in het geplaatste kapitaal van [bedrijf] minus 2.713.719 door [bedrijf] zelf gehouden Aandelen), welk aantal gelijk staat aan 97,75% van het geplaatste kapitaal. In artikel 35.1. van de ten tijde van de dagvaarding geldende statuten van [bedrijf] is bepaald dat één Aandeel recht geeft op het uitbrengen van één stem in de algemene vergadering. Aldus verschaft Kodiak op de dag van dagvaarding tenminste 95% van het geplaatste kapitaal van [bedrijf] en vertegenwoordigt zij tenminste 95% van de stemrechten in [bedrijf] . De vordering is in zoverre deugdelijk.
Het dagvaarden van de gezamenlijke andere aandeelhouders”
r.o. 3.8
“Met het oog op de ratio van het 90%-criterium tellen in de berekening van de acceptatiegraad van het bod niet mee de (certificaten van) aandelen die worden gehouden door (rechts)personen die in een wezenlijk andere positie verkeren dan houders van (certificaten van) aandelen die door acceptatie van het bod slechts hun belang in de doelvennootschap verkopen tegen de onder het bod geboden tegenprestatie (ECLI:NL:GHAMS:2017:1203, Royal Reesink). Als aandeelhouders die in een wezenlijk andere positie verkeren als hiervoor bedoeld worden in ieder geval aangemerkt:
de uitkoper en met haar in een groep verbonden rechtspersonen; (rechts)personen die kunnen worden aangemerkt als een bieder in de zin van artikel 1:1 Wft; de doelvennootschap en met haar in een groep verbonden rechtspersonen; bestuurders en commissarissen van de doelvennootschap, behoudens bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen; en degenen op wie een door de bieder getroffen regeling of een met de bieder gesloten overeenkomst van toepassing is die hen in een wezenlijk andere positie brengt.”
r.o. 3.15