Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) · 26 januari 2026
Enquête: afwijzing verzoek om aanwijzing aan onderzoeker ex artikel 2:350 lid 4 BW
- Enquêterecht
- Boek 2 BW
Samenvatting
In een lopende enquêteprocedure verzoeken een certificaathouder en een stichting de raadsheer-commissaris om de onderzoeker aan te wijzen een onafhankelijke financieel deskundige in te schakelen, op grond van artikel 2:350 lid 4 BW. De raadsheer-commissaris overweegt dat de onderzoeker het onderzoek in beginsel zelf inricht. Een aanwijzing over de reikwijdte is alleen toewijsbaar als het onderzoek anders in wezenlijke mate onvolledig of ontoereikend zal zijn, en dat is niet gebleken. Het verzoek wordt afgewezen.
Kernoverwegingen
“Als uitgangspunt heeft te gelden dat een onderzoeker – met inachtneming van de norm dat de onderzoeker zich moet richten naar hetgeen in de gegeven omstandigheden van een bekwaam en redelijk handelende onderzoeker mag worden verwacht – vrij is in de uitvoering van de aan hem opgedragen taken en dat hij het onderzoek naar eigen inzicht inricht (vgl. art 3.2. en 3.3. van de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures van 9 juli 2019 (hierna: de Leidraad)). Dat betekent onder meer dat de onderzoeker in beginsel bepaalt welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, welke informatie voor het onderzoek relevant is, welke personen moeten worden gehoord en welke gedurende het onderzoek verkregen informatie aanleiding geeft tot het doen van verder onderzoek en hoe dat verdere onderzoek moet worden verricht. Op grond van artikel 2:350 lid 4 BW kan de raadsheer-commissaris op verlangen van partijen aanwijzingen geven over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd, indien “de goede gang van zaken van het onderzoek” dit vereist, waarmee volgens de memorie van toelichting is gedoeld op “de procesmatige kant van het onderzoek en niet op de inhoud” (Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3, p. 38). Een verzoek dat strekt tot het geven van een aanwijzing die betrekking heeft op de reikwijdte van het onderzoek is in beginsel slechts toewijsbaar, indien aanstonds duidelijk is dat zonder een daarop gerichte aanwijzing aan de onderzoeker het onderzoek in wezenlijke mate onvolledig of […]”
r.o. 2.5
“De onderzoeker heeft op 21 februari 2025 met instemming van alle partijen een plan van aanpak vastgesteld waarin hij heeft uiteengezet op welke wijze hij het in de beschikking van 9 januari 2025 door de Ondernemingskamer bevolen onderzoeker zal uitvoeren. Het plan van aanpak voorziet niet in een financieel onderzoek door een externe deskundige. Dat de onderzoeker niet in staat zou zijn om op basis van zijn eigen kennis en ervaring onderzoek te doen naar de in de beschikking van 9 januari 2025 onder (i), (ii), (iv) en (v) genoemde onderwerpen is niet gebleken en hetgeen de onderzoeker in dat kader over zijn taakopvatting heeft geschreven (zie 2.3) komt de raadsheer-commissaris juist voor. Het is dan aan de onderzoeker om te bepalen of hij het voor het onderzoek nodig vindt om een onafhankelijke financieel deskundige in te schakelen om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van de (financiële) informatieverstrekking door Huizenmij, de juistheid van de jaarrekeningen 2021-2022 en 2022-2023 en de financiële onderbouwing van de besluitvorming over het superdividend. De raadsheer-commissaris heeft, op dit moment, geen aanwijzingen om te veronderstellen dat het onderzoek zonder het inschakelen van een dergelijke onafhankelijke financieel deskundige in wezenlijke mate onvolledig of anderszins ontoereikend zal zijn. Bij die stand van zaken bestaat geen voldoende grond voor het geven van de gevraagde aanwijzing.”
r.o. 2.6